W. B. Tholen: Schilder met een gelukkige natuur

Aangemeerde vissersboten in de haven van Enkhuizen, 1901.  beeld Dordrechts Museum
6

Collega-schilders denken verschillend over het werk van W. B. Tholen. „Beginselloos maar handig”, vindt de een. „Zielvol, degelijk, uiterst fijn gevoeld”, zegt de ander. En Tholen, hij schildert zich onbekommerd de geschiedenis in.

Allerhande kunststromingen passeren Willem Bastiaan Tholen (1860-1931). Het neo-impressionisme komt, zo tegen het eind van de negentiende eeuw. En het verdwijnt ook weer. Het symbolisme komt en gaat, het luminisme, het expressionisme, het kubisme en zelfs de abstracte kunst. Tholen laat het allemaal aan zich voorbijgaan en negeert het. Hij werkt vijftig jaar lang vlijtig, vakkundig en talentvol een eigen oeuvre bij elkaar.

Tholen bouwt voort op het werk van de schilders van de Haagse School, maar hij geeft er zijn eigen draai aan. De schilder hoort niet tot een kunstrichting, hij is zijn eigen kunstrichting. Precies zoals zijn leermeester P. J. C. Gabriël hem al in het oor fluisterde: „Je mag zeker een school vormen met schilders om je heen. Maar je mag niet zelf lid worden van die school.”

Tholen heeft het niet nodig om bij een groep te horen. Zijn schildersleven lang heeft hij waardering. Hij wint diverse kunstprijzen en zijn werk wordt verkocht over de hele wereld. Zijn collega’s mogen hem graag, niet alleen vanwege de kwaliteit van zijn werk, vooral ook om zijn karakter. Hij was een beminnelijk, positief ingesteld mens, hoewel hij niet tegen te veel „gezanik en gezeur” kan. Hij wil in zijn schilderijen altijd een geluksgevoel uitdrukken, dat hij in zijn werk en in zijn bestaan ervaart. Vrienden stellen vast dat hij „een gelukkige natuur” heeft. Hij leeft en schildert, kortom, in verwondering.

”Een gelukkige natuur” is ook de titel van een tentoonstelling die het Dordrechts Museum heeft ingericht rond het leven en werk van Willem Bastiaan Tholen. Een buitenkans om Tholen beter te leren kennen, en te waarderen. Een royale presentatie van de kunstenaar met zo’n honderd schilderijen, olieverfschetsen (die hij zelf plankjes noemt), ongeveer tachtig tekeningen en aquarellen, schetsboeken en etsen.

Tegenwoordig wordt bij Tholens meestal gedacht aan schilderijen van Hollandse landschappen en water; havens vol schepen aan de Zuiderzee, velden en duinen. Terwijl juist de grote verscheidenheid van zijn werk de critici destijds al opvalt: „Tholen durft álles aan”; stadsgezichten, intieme interieurs en ontroerende (zelf)portretten. Onderwerpen die andere schilders rond 1900 vaak links laten liggen. Tholen schildert ze met een ongekend gevoel voor schoonheid en liefde voor detail, waarbij hij vaak verrassende perspectieven kiest. Wie de tentoonstelling niet kan bezoeken, vindt dezelfde informatie –en meer– in een catalogus van 320 bladzijden (uitg. Thoth; € 29,95), een monument op zichzelf.

Vreselijk

Tholen wordt in 1860 geboren in Amsterdam en groeit op in Kampen. Studeren boeit hem niet. Hij verlaat de hbs –waar hij alleen uitblinkt in het vak tekenen– voortijdig en op zijn zestiende vertrekt hij naar de Rijksakademie in Amsterdam. Binnen een jaar heeft hij zijn tekenakte in zijn zak en kan hij als leraar aan de bak in Gouda en later Kampen. Hij vindt het vreselijk werk.

Liever trekt hij eropuit om samen met schilders als Paul Joseph Constantin Gabriël (1828-1903) of Jan Voerman (1857-1941) de veengebieden rond Kampen in te trekken of in Giethoorn zijn schildersezel op te zetten. Gabriël toont zich een uitstekend leermeester. Vroeg werk van Tholen verraadt het kritisch oog van Gabriël. Later ontwikkelt Tholen zich in een andere richting. Hoewel hij een van Gabriëls lessen nooit verleert: kleurschakeringen zijn in landschappen vaak belangrijker dan kleurcontrasten, aldus de ‘tonalist’ Gabriël.

De schilder Tholen is verliefd op landschappen: polders, plassen, rivieren, wolken licht en water. En vooral Giethoorn; rond 1880 komt hij er voor het eerst. „Er is veel te veel moois hier!” schrijft hij in een van zijn brieven. De doorkijkjes, de bruggetjes, de punters die door de vaarten glijden, het boenen van de pannen, het bleken van de was en het snijden van het riet. Tholen neemt het allemaal in zich op. En hij sleept het publiek mee in zijn enthousiasme voor het „wanhopend” mooie Giethoorn. Hij wordt de schilder van de Gieterse landschappen, die vervolgens tot ver buiten Nederland aftrek vinden.

Het is niet alleen te danken aan de kwaliteit van zijn werk, hij is ook een handig zakenman. Het balanceren tussen de commerciële vraag en zijn eigen artistieke voorkeur gaat Tholen goed af. Bewust stuurt hij al vanaf 1881 –hij is dan 21 jaar oud– werken in voor tentoonstellingen in Nederland, maar ook daarbuiten. Hij verkoopt er goed, wat hem bij collega’s soms afgunst, maar vooral respect oplevert. Jacobus van Looij (1855-1930) noemt hem in een brief aan Willem Witsen (1860-1923) „benijdenswaardig handig.”

Tachtigers

Met grote regelmaat reist Tholen af naar het landgoed Ewijkshoeve in de bossen bij Soest. Het statige witte pand wordt bewoond door de familie Witsen. De jongste zoon Willem, die ook de Amsterdamse Akademie bezoekt, raakt daar bevriend met Tholen. Ewijkshoeve is een ontmoetingscentrum van schilders, schrijvers en musici. De kunstkring van ”Tachtigers” en van de ”Schilders van Tachtig” heeft grote aantrekkingskracht op Willem Bastiaan Tholen. Of is het juist de jonge Coba Muller, die als wees in het gezin is opgenomen, die de jonge schilder als een magneet naar Soest trekt? In 1886 trouwen ze.

Het jonge stel vestigt zich in Den Haag, waar de schilder zich al snel thuisvoelt. Hij vindt er vrienden in de kunstenaarsverenigingen, hij gaat intensief om met Jacob Maris en ontmoet er de nestor van de Haagse School, Jozef Israëls. Het jonge echtpaar betrekt een riant huis aan de Haringkade, op de grens van Den Haag en Scheveningen. In deze ”Kanaalvilla” wonen ze samen met het gezin van Bram en Cobi Arntzenius.

Breed palet

De natuur vormt voor Tholen de grootste bron van inspiratie. Maar hij is niet kieskeurig en schildert veel meer. Stadsgezichten, interieurs, haven- en zeegezichten, mensen en dieren, alles wat zijn aandacht trekt, legt hij vast. Meestal kiest hij een verrassende invalshoek. Gewone momenten, onopvallende plekken, zijn ongebruikelijke perspectieven zetten zijn onderwerpen ineens in ander licht.

Graag schildert Tholen mensen tijdens hun werk. De winkelier die langs de deuren gaat, de Gieterse boer die een schuit vol hooi voortboomt. Maar ook heeft hij, zoals Gerrit Hendrik Breitner (1857-1923), belangstelling voor bouwputten, zandafgravingen en scheepshellingen. Hij laat zich niet weerhouden door de stank van het slachthuis of de stinkmolen, die zijn naam dankt aan de kwalijke geur van de zeembereiding. Van een rommelig bouwterrein weet Tholen nog een „heerlijk brok van kleur en toon” te maken.

In 1918 moet de kunstschilder zijn vrouw Coba naar het graf brengen. Een jaar later trouwt hij Lita de Ranitz, met wie hij al enige tijd correspondentie voert. „Ik ben getrouwd”, schrijft zij, „met Willem Bastiaan Tholen, zonder voorafgaand officieel engagement. In de laatste twee maanden voor ons huwelijk zond hij mij iedere dag een photo van één van zijn schilderijen: „ter dieper kennismaking.””

Als Willem Bastiaan Tholen in 1931 in Den Haag overlijdt, zet Lita de Ranitz zich in om het werk van de schilder onder de aandacht van het publiek te houden. Dat is haar met hulp van vrienden gelukt. De jaren door zijn er altijd verzamelaars en liefhebbers geweest van het werk van Tholen. Hoewel musea steeds meer schilderijen van hem aan hun collectie toevoegen, is het grootste deel van zijn oeuvre nog steeds in particuliere handen.

”Willem Bastiaan Tholen, een gelukkige natuur” is tot en met 1 november te zien in het Dordrechts Museum.