Verraders wachtten hun straf niet af

Musserts arrestatie in 1945. beeld Nationaal Archief
2

Verschillende opgepakte nazi’s wachtten hun straf niet af, maar beëindigden hun leven zelf. Dat gold niet voor Nederlands hoogste NSB’er, Mussert.

Op 7 mei 1945 om zeven uur ’s avonds was Anton Mussert, de leider van de NSB, in hechtenis genomen in het huis waar hij de bevrijding had afgewacht, het vroegere woonhuis van Groen van Prinsterer aan de Korte Vijverberg 3 in Den Haag. Uitgejoeld door een boze menigte was hij naar het Huis van Bewaring in de Casuariestraat gebracht. Daar had hij zich onder protest –„Ik ben geen gewone gevangene”, riep hij keer op keer– moeten uitkleden, zodat hij niets meer bij zich droeg waarmee hij zich het leven benemen kon. Weer aangekleed, maar zonder bretels, riem en veters, was hij opgesloten in een cel van „twee meter lang en nauw twee meter breed”.

In juli verhuisde hij naar cel 397 van de strafgevangenis in Scheveningen, het ”Oranjehotel”. In de oorlog hadden er zwarthandelaars en verzetsstrijders vastgezeten. Met zijn vriendelijke, opgewekte houding verwierf hij enige sympathie van het personeel. Als enige van de gevangenen werd hij niet getutoyeerd. „Meneer Mussert”, zei men tegen hem.

Op zondag 5 augustus mocht hij een brief schrijven aan zijn vrouw. Hij vertelde dat hij monter en gezond was, zij het enigszins verzwakt en vermagerd door het karige menu en het verblijf in de cel. Over de toekomst was hij welgemoed. In de rechtszaal zou hij rekenschap geven van „al mijn doen en laten als Leider” in de oorlog. „Dat hoop ik te kunnen en te mogen doen en dan zal velen een licht opgaan en velen zullen worden gerehabiliteerd.”

Het liep anders. Op 7 mei 1946, een jaar na zijn arrestatie, stierf Mussert voor het vuurpeloton op de Waalsdorpervlakte, niet ver van de cel waar hij het laatste jaar van zijn leven had doorgebracht.

Maliebaan

Met Meinoud Rost van Tonningen liep het anders af. Hij was hoofdredacteur van het Het Nationale Dagblad geweest, de krant van de NSB, en plaatsvervangend leider van de partij. Het was vooral aan Rost van Tonningen te wijten dat de partij steeds antisemitischer geworden was. Hij was zeer gedreven. Een week na de geallieerde invasie in Normandië schreef hij aan een geestverwant dat ieder nationaalsocialist zich dood moest vechten. „Deze houding kunt U ook van mij verwachten. Zelfmoord plegen heeft natuurlijk in het geheel geen zin.” Maar toen Rost van Tonningen kort na de bevrijding werd opgepakt en in het hoofdkwartier van de Canadezen aan de Maliebaan in Utrecht werd opgesloten, probeerde hij met een scheermesje zijn pols en hals door te snijden.

Begin juni werd hij naar de strafgevangenis in Scheveningen gebracht. In de weken na de bevrijding heerste er een terreurbewind. ’s Zondags werd de gevangenis opengesteld voor belangstellenden, die aan de mishandelingen mochten meedoen. Sommige gevangenen pleegden zelfmoord. Rost stierf op 6 juni, nadat hij vanaf de eerste verdieping naar beneden was gesprongen. Zijn vrouw, Florrie Heubel, ”de zwarte weduwe”, die het gedachtegoed van haar man tot haar dood in 2007 verdedigde, hield vol dat hij naar beneden was geworpen.

Ook Kees van Geelkerken, het derde kopstuk van de NSB, zat in de zomer van 1945 in de Scheveningse strafgevangenis. In de stilte van zijn cel en met de doodstraf voor ogen kwam hij tot het gereformeerde geloof van zijn jeugd terug. Van Geelkerken was lid geweest van de Gereformeerde Kerk in Utrecht. Zijn predikant, ds. H. Schilder, was na de oorlog overtuigd van de „concrete schuldbelijdenis en overtuigden terugkeer” van Van Geelkerken. Aan diens rechters schreef Schilder dat hij weer „als een broeder” in de gemeente was opgenomen. Van Geelkerken werd eerst tot levenslang en later tot twintig jaar veroordeeld. Na zijn vrijlating in 1959 zag men Van Geelkerken niet vaak meer in de kerk. Het oplaaien van zijn religieuze vuur was tijdelijk geweest, meent Bart van der Boom, zijn biograaf.

Ondervraging

Doodstraf, zelfmoord of lange gevangenisstraf was het voorland van meer verraders en oorlogsmisdadigers. Op 30 april 1945 pleegde Hitler zelfmoord in de Führerbunker in Berlijn, een dag later deed Joseph Goebbels, zijn opvolger, hetzelfde. Op 2 mei ontvluchtte Martin Bormann, Hitlers privésecretaris, de Führerbunker. Waarschijnlijk kwam hij even later om het leven bij een vuurgevecht.

Heinrich Himmler, de leider van de SS, zwierf na de capitulatie door Noord-Duitsland tot hij door Britse bezettingstroepen werd aangehouden. Bij het verhoor werd duidelijk dat hij Himmler was. Toen een arts hem medisch onderzocht en de mondholte wilde inspecteren, draaide Himmler het hoofd opzij, en beet de cyanidecapsule die in een kies verborgen zat, stuk. Een kwartier later was hij dood.

Hermann Goering en Joachim von Ribbentrop, belangrijke ministers in het Derde Rijk, verschenen voor het Internationale Militaire Tribunaal in Neurenberg, dat hen en negen andere nazi’s in oktober 1946 tot de doodstraf veroordeelde. Een dag voordat hij de strop zou krijgen, pleegde Goering zelfmoord met een cyanidepil.

Konrad Henlein was een kopstuk van de nazi’s in Sudetenland (Tsjechoslowakije). Henlein werd Hitlers rijkscommissaris in Sudetenland. Na zijn gevangenneming door de Amerikanen pleegde hij zelfmoord in een interneringskamp.

Voor Léon Degrelle was nog een lang leven weggelegd. Degrelle was leider van de fascistische beweging in België, Rex. Na de oorlog vluchtte hij naar Spanje, waar hij bescherming genoot van de fascistische dictator Franco. De doodstraf die tegen hem werd uitgesproken, werd nooit uitgevoerd. Hij stierf in 1994 op 87-jarige leeftijd. Tot inkeer kwam hij nooit. Als hem gevraagd werd of hij ergens spijt van had, zei hij steevast: „Dat wij verloren.”