Italiaans licht met lef en gemak op het doek gezet

Meisje op een rots in Sorrento, 1871, Filippo Palizzi.  beeld Badia Polesine
6

Eindelijk. Na bijna veertien eeuwen was Italië in 1860 één land geworden. Echter, eenheid kon je wel uitroepen, maar het diende te groeien in het hart van het volk. Daarom moest de kunst helpen om Italiaans nationaal besef aan te kweken.

Het Drents Museum in Assen heeft het weer voor elkaar: een schitterende tentoonstelling die ongetwijfeld veel publiek gaat trekken. Terecht. Conservator Willemijn Lindenhovius zag kans om een onbekend stuk kunstgeschiedenis van Italië voor het voetlicht te halen. En die kunst in te bedden in de wordingsgeschiedenis van Italië als land. Zeventig schilderijen leren vooral waarom Italië tot op de dag van vandaag een grillige eenheid is. Waarbij de Italiaan in de eerste plaats een Napolitaan blijft. Of een Romein, Milanees, Venetiaan of Genuaan.

En hoewel de kunstenaars het streven naar eenheid predikten, was er in eigen gelederen weinig van te vinden. Ieder schilderde naar eigen goeddunken, in eigen stijl, zich soms aansluitend bij de kunststromingen in andere Europese landen. Vaak ook een eigenzinnig spoor zoekend.

Na de val van het Romeinse Rijk –historici hingen er het jaartal 476 aan– bleef er een spaghetti over van onafhankelijke koninkrijkjes, republieken en hertogdommen. De onderlinge concurrentie was groot en ook landen als Frankrijk, Oostenrijk, Spanje, Duitsland en zelfs Engeland aasden op grondgebied in die Zuid-Europese laars. Tegenover de rijkdom van noordelijke stadstaten als Rome, Milaan, Florence, Genua of Padua, stond schril de armoede uit de zuidelijke gebieden. De grote kunstbubbel uit de middeleeuwen en de renaissance concentreerde zich dan ook op de rijke steden. Voor de grote kunstenaars als Giotto, Botticelli, Michelangelo en Da Vinci was het vaak stuivertje wisselen; wie de meeste goudstukken bood, kon op hun medewerking rekenen.

De tentoonstelling in Assen toont een tijdlijn waarop tussen de renaissance (15e en 16e eeuw) en, zeg maar, 1800 weinig te beleven is. Maar in die 19e eeuw groeit het verlangen naar eenheid. Als de grootmachten in 1815 Europa onderling verkavelen, ontbreekt een Italiaanse stem. Alleen de paus stuurt een afgezant. Het doet de onvrede in de laars groeien. De strijd voor een bevrijd en herenigd Italië belooft een nieuwe bloeitijd op sociaal en cultureel gebied. Verzetsbewegingen komen op, revoluties worden uitgelokt. Maar de revolutionairen zijn onderling verdeeld en weten geen vuist te maken. Centrale verzetsfiguren zijn Garibaldi (met zijn roodhemden), Mazzini en Cavour. De laatste –premier van het koninkrijk Piëmont-Sardinië– bewandelt de weg van internationale diplomatie. Hij schuift zijn koning Victor Emmanuel naar voren als boegbeeld van de nieuwe eenheid. Het volk omarmt deze koning, die in 1860 Italië (inclusief het door Garibaldi veroverde zuiden) in de schoot geworpen krijgt.

Een jaar later is de formele eenheid van het land een feit. De kunst neemt een belangrijke plaats in bij dit proces van eenwording. Schilders maken van Garibaldi en Mazzini volkshelden, componisten als Verdi bezingen de saamhorigheid. Garibaldi krijgt zelfs internationale bekendheid. Het zwakke geslacht zwijmelt onder zijn blauwe ogen; in Londen dragen vrouwen Garibaldi-capes en Garibaldi-parfum. De opstanden van de roodhemden onder leiding van Garibaldi worden afgeschilderd als keizerlijke veldtochten. Een van Garibaldi’s volgelingen is de schilder Gerolamo Induno. Deze strijder, die zelf meerdere bajonetsteken weet te overleven, legt Garibaldi op het doek vast als deze gewond wordt weggedragen uit Aspromonte (ca. 1863).

Kliederaars

De 19e-eeuwse Italiaanse schilderkunst bestaat niet alleen uit strijdgewoel en vrijheidsdrang. De tentoonstelling ”Sprezzatura” geeft een rondleiding langs de vele gebieden en academies in Italië van die tijd. Langs de vele meesterwerken in al de verschillende stijlen waarin de Italiaanse schilders ‘losgingen’. Het waren vijftig jaren van de nadagen van de romantiek tot de futuristen die de 20e eeuw inluidden.

De eerste zaal laat vooral dat Italiëgevoel van groeiende eenheid zien, de tweede ruimte neemt de bezoeker mee naar café Michelangioli, waar een groep jonge kunstenaars samenklontert. Zij zullen later bekend worden als de Macchiaioli, de kliederaars of vlekkenschilders. Zij dwepen met de kleurvlek. Zij experimenteren met naast elkaar geschilderde kleurvlakken. Zij kijken door hun oogharen en verdelen wat ze zien in vlakjes kleur met een bepaalde lichtintensiteit.

Kleuren

Na de eenwording zie je vooral realistisch werk van het alledaagse leven in de regio. Het reizen is door de eenwording gemakkelijker geworden en de onderlinge beïnvloeding van de verschillende kunstenaars wordt sterker. Kenmerkend voor al de verschillende stromingen is volgens curator Willemijn Lindenhovius „het Zuid-Europese licht in veel Italiaanse werken. Het zorgt voor een andere weergave van de kleuren.” De schilder Plinio Nomellini (1866-1943) schildert in 1906 ”Leren lezen”, aan een tuintafel leert een moeder haar kind lezen. Beiden hebben een witte blouse aan. Wie de kledingstukken van dichtbij bekijkt, ziet dat de schilder allerlei kleuren blauw, groen en zelfs bruin gebruikt. Het resultaat, zeggen je hersenen, is echter onmiskenbaar wit.

Nieuwe stijlen ontstaan, vaak „vermengd met eeuwenoude artistieke tradities.” In ”Moederschap” schildert Gaetano Previati (1852-1920) moederliefde. Enerzijds gebruikt hij een nieuwe techniek, waarbij het gehele werk is opgebouwd uit streepjes. Anderzijds zoekt hij de beeldtaal van de christelijke schilderkunst: een granaatappelboom als symbool voor Gods zegening.

Virtuositeit

De armoede in het zuidelijk deel van Italië neemt ondanks de eenwordig toe. Voer voor het zogenoemde sociaal realisme. Maar dan op de rauwe, aangrijpende wijze zoals je die met name ook in de Belgische romantiek tegenkomt. De harde werkelijkheid van het leven, vol honger en ziekte en eindigend in de dood, wordt op dramatische manier uitgebeeld.

Heel anders is de zaal van de droom. De schilderijen hebben de magische, dromerige sfeer van het symbolisme. Meester in deze stijl is genoemde Plinio Nomellini, die in zijn dagboek schrijft: „De kunstenaar heeft niet als doel om slechts de natuur na te bootsen, maar hij heeft een hoger doel, namelijk om zijn eigen gevoelsleven te onthullen in fijngevoelige vormen.”

Er is nog een gemeenschappelijk kenmerk bij al die verschillende schilderstijlen in de tweede helft van de Italiaanse 19e eeuw: de ”sprezzatura”, de virtuositeit. Het gemak en de lef waarmee de schilders te werk gaan. Voor de Italianen waarschijnlijk niets bijzonders. Niet anders dan de manier waarop zij op een zomeravond aan een lange tafel in de bongerd zitten; met een goede pasta op het bord en een uitstekend glas wijn hoog opgeheven. Sociaal, charmant genieten. Sprezzatura is geen kunst. Je hebt het, of je hebt het niet.

Mesdag was gek op werk van Mancini

Antonio Mancini (1852-1930) was in zijn Napolitaanse periode tussen 1878 en 1882 psychisch volledig uit evenwicht. Hij schilderde in die tijd talloze zelfportretten. Hij was onrustig en manisch, maar zeer getalenteerd. Mancini vroeg de Scheveningse kunstschilder en mecenas Hendrik Willem Mesdag om financiële steun. Vrienden van Mesdag typeerden Mancini als een ”geniale gek”. Dat weerhield Mesdag er niet van om Mancini te helpen. In de loop der jaren kocht Mesdag 150 werken van hem. De schilder experimenteerde met licht- en kleureffecten; aan zijn beschilderde doeken voegde hij van alles toe: stoffen, lovertjes, gekleurd glas, bloemen en fluweel. Pas later kreeg Mancini erkenning in eigen land.

”Sprezzatura, vijftig jaar Italiaanse schilderkunst 1860-1910” is tot en met 3 november te zien in het Drents Museum in Assen. De gelijknamige catalogus, aangevuld met verdiepende hoofdstukken over onder meer de speciale band die sommige Italiaanse kunstenaars met Nederland hadden, is voor 24,95 euro te koop in de museumwinkel of via uitgeverij WBooks in Zwolle. www.drentsmuseum.nl