Honderd jaar Herfsttij der Middeleeuwen

2

Het is meestal de oorsprong van het nieuwe, wat onze geest in het verleden zoekt, schreef de historicus J. Huizinga op 31 januari 1919 in het voorbericht van zijn ”Herfsttij der Middeleeuwen”. Maar daarmee doen we volgens hem de geschiedenis geen recht.

Te vaak zijn de late middeleeuwen alleen maar beschouwd als een prelude op de moderne tijd, constateerde Huizinga. „Immers, overal zag men in die tijden, die eenmaal als star en doods gegolden hadden, het nieuwe reeds ontspruiten, en alles scheen te wijzen naar toekomstige vervolmaking.” In zijn omvangrijke cultuurhistorische studie –600 pagina’s– heeft hij geprobeerd om de veertiende en vijftiende eeuw te zien „niet als de aankondiging der Renaissance, maar als het einde der Middeleeuwen.” Als herfsttij dus. De historicus sprak van „een boom met overrijpe vruchten, algeheel ontplooid en ontwikkeld.”

Van Huizinga’s klassieker is ter gelegenheid van de honderdste verjaardag bij Leiden University Press een speciale jubileumeditie verschenen. De uitgave is een initiatief van dr. Anton van der Lem, conservator bij de Universiteitsbibliotheek Leiden. Hij heeft er voor gezorgd dat bij elk kunstwerk dat Huizinga noemt een afbeelding is geplaatst. „Juist omdat Huizinga’s taal zo visueel is, zijn afbeeldingen hier meer dan illustraties”, aldus uitgever Anniek Meinders. „Ze zijn eigenlijk zijn argumenten.”

Geschiedenis verlengd

Deze schitterende uitgave staat in schril contract met de eerst druk die in juni 1919 van de pers kwam. Het bevatte toen nog geen illustraties (die kwamen pas in de derde druk, op aandringen van de Duitse vertaler) en vanwege de schaarste, veroorzaakt door de Eerste Wereldoorlog, was alleen de rug in linnen uitgevoerd.

Van der Lem noemt ”Herfsttij” in zijn nawoord „in alle opzichten een bijzonder boek”. Blijkens de ondertitel gaat het om een „studie over de levens- en gedachtenvormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden”. Het was ongewoon dat een groot werk over de geschiedenis van de Nederlanden nu eens niet over de Tachtigjarige Oorlog of de Gouden Eeuw ging, maar over de Bourgondische Nederlanden.

„Huizinga verlengde om zo te zeggen de vaderlandse geschiedenis aan de voorzijde met twee eeuwen”, aldus Van der Lem. „Op een eenvoudig kaartje, door hem zelf gemaakt, vermoedelijk om voor zijn leerlingen of studenten op het bord te tekenen, liet hij het grootste deel van het huidige Nederland buiten beschouwing. De stad Groningen, waar hij op 7 december 1872 was geboren, komt er net niet op voor.”

Ongewoon

Huizinga concentreerde zich op de geschiedenis en de cultuur in de zuidelijke Nederlanden: het welvarende Vlaanderen en Brabant met het Bourgondische hof als centraal punt. Schilders als Jan van Eyck en Rogier van der Weyden werkten in opdracht van dit hof, dat ook aanjager was van allerlei andere kunstvormen, zoals beeldhouwen, boekverluchten en dichten. „Een cultuur van hof en hoge adel was al even ongewoon in de Nederlandse geschiedschrijving, waar de aandacht doorgaans alleen uitging naar de burgerlijke cultuur van de Republiek”, aldus Van der Lem. „Bovendien ging het Huizinga niet om een politieke en militaire geschiedenis in chronologische volgorde van de gebeurtenissen. Het was hem te doen om de geestelijke wereld achter de beroemde beeldende kunstenaars en de minder bekende dichters en schrijvers van de tijd zelf.” Daarbij kwam dat Huizinga de Franse cultuur van de late middeleeuwen en Franstalige bronnen bij zijn beschouwingen betrok. Op die manier opende hij nieuwe perspectieven op het verleden.

Opmerkelijk is dat Huizinga helemaal niet de ambitie had om historicus te worden. Als student had hij een brede wetenschappelijke belangstelling voor filologie, vreemde talen, andere culturen en kunst. „Zijn fascinatie voor verschillende culturen en hoe deze eigenlijk in één groots verband moesten samenhangen en hun weerspiegeling vonden in de wereldtalen, was eigenlijk een vraag naar het beginsel van het leven”, meent Van der Lem. „Was het niet alsof hij het wereldraadsel zelf wilde houden in de holte van zijn hand?” Graag was Huizinga hoogleraar Sanskriet geworden, maar toen die functie in Urecht aan zijn neus voorbij ging aanvaardde hij in 1905 de post van hoogleraar geschiedenis in Groningen.

Voor zijn colleges greep hij terug op een ervaring die hij eerder –in 1902– in Brugge had opgedaan, toen hij een grote tentoonstelling over de Vlaamse Primitieven (onder wie de gebroeders Van Eyck) bezocht. Huizinga zou naderhand spreken van „een gebeurtenis van het hoogste gewicht.” In Groningen kon hij zich echt gaan verdiepen in de wereld van de gebroeders Van Eyck.

Tijdens een wandeling langs het Damsterdiep, even buiten de stad Groningen, zag hij opeens hoe hij het onderwerp moest aanpakken, wat het „ordenend beginsel” van zijn studie moest worden. „De late Middeleeuwen niet als de aankondiging van het komende, maar als het afsterven van dat wat heengaat.” In het academische jaar 1909/1910 was zijn onderzoek zo ver gevorderd dat hij een heel college kon wijden aan de ”Bourgondische cultuur” – en was de basis gelegd voor het ”Herfsttij”.

Onaantastbaar

Van der Lem constateert dat de tentoonstelling over de Vlaamse Primitieven een directe stimulans voor Huizinga is geweest om ”Herfsttij der Middeleeuwen” te schrijven.

Ondanks de kritiek die in de loop der jaren op Huizinga’s studie is geleverd, heeft ”Herfsttij” internationaal een bijna onaantastbare positie verworven, mede dank zij de litaraire kwaliteiten. Het boek is in de afgelopen eeuw in 25 talen vertaald. Voor dit jaar staat zelfs een Albanese vertaling op stapel.

„Het gelijk of ongelijk van Huizinga doet niet meer ter zake”, concludeert Van der Lem. „Hij is een klassieke geschiedschrijver die om de eigen waarde van zijn werk gelezen zal blijven worden. ”Herfsttij der Middeleeuwen” is nu honderd jaar jong en klaar voor een volgende eeuw.”

Gedenksteen in de Nieuwe Kerk

Minister Van Engelshoven onthult op woensdag 30 januari een gedenksteen voor Johan Huizinga in De Nieuwe Kerk Amsterdam. Aanleiding is het 100-jarig jubileum van zijn literaire meesterwerk ”Herfsttij der Middeleeuwen”.

De onthulling heeft plaats in het bijzijn van kinderen en kleinkinderen van Huizinga.

Met de gedenksteen voor Huizinga wordt een nieuwe naam aan het literaire pantheon van De Nieuwe Kerk toegevoegd. Tal van bekende, maar ook minder bekende, schrijvers zijn in De Nieuwe Kerk begraven of worden herdacht met een gedenksteen. Grote namen zijn Joost van den Vondel, P.C. Hooft en recent Hella S. Haasse (2018). De negentiende-eeuwse dichter Isaäc da Costa werd als een van de laatste in De Nieuwe Kerk bijgezet (1860), en de in zijn tijd zeer populaire dominee-dichter Ten Kate kreeg jaren na zijn dood (1923) een gedenksteen.