Expositie in Nationaal Holocaust Museum toont geschiedenis familie Lindwer

Lindwers vader in 1992 in Oekraïne. beeld Nationaal Holocaust Museum
8

Duitse kogelhulzen, gevonden bij een Joods massagraf in Oekraïne. De laatste tentoonstelling in het Nationaal Holocaust Museum-in-oprichting brengt de gruwelijke volkerenmoord heel dichtbij. Willy Lindwer verloor er een deel van zijn familie.

Op 2 februari gaat het tijdelijke museum dicht, op 30 juni ook de Hollandsche Schouwburg, schuin ertegenover. Beide gebouwen worden omgevormd tot één Nationaal Holocaust Museum en ook de tussenliggende tramhalte wordt erin betrokken. Tegen die tijd moet het nodige geld –23,3 miljoen euro– bijeengebracht zijn. Volgens planning gaat het museum najaar 2022 open.

In de Hollandsche Schouwburg werden 12.000 Joden bijeengedreven voordat ze naar Kamp Westerbork werden gedeporteerd. Kinderen moesten naar de crèche aan de overkant van de Plantage Middenlaan. Daarnaast, in de Hervormde Kweekschool, werden heldendaden verricht: zeshonderd kinderen werden over de ligusterheg gesmokkeld en naar onderduikadressen gebracht.

Veel in de school is nog hetzelfde als toen. De kamer van directeur J. W. van Hulst (1911-2018), het latere CHU/CDA-Eerste Kamerlid, en enkele andere markante plekken blijven tijdens de verbouwing gehandhaafd. Momenteel gebruikt het museum alleen de begane grond van het gebouw en de vroegere gymzaal aan het pleintje erachter; na de renovatie ook de drie bovenverdiepingen.

Familiehistorie

Sinds de opening op 16 mei 2016 zijn negen tentoonstellingen gehouden en kwamen er 135.000 bezoekers over de vloer. Willy Lindwer kwam over uit Israël en opende vrijdag de laatste expositie. Tegelijk verscheen zijn boek ”Wolf en Ryfka. Kroniek van een Joodse familie”.

Wolf en Ryfka, dat waren twee van zijn grootouders: moeders vader en vaders moeder. Ze hebben elkaar niet gekend. Hij kwam in 1944 om in Varsseveld, zij in 1941 in Oekraïne. Wolf, zo werd Lindwer zelf ook genoemd. Later werd het Willy, voor het gemak.

Vijftig jaar is hij al filmmaker; vijftig jaar is hij al bezig met de geschiedenis van zijn volk. Voor zijn documentaires en boeken over het Joodse leven en de Jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog ontving hij prijzen en een koninklijke onderscheiding. Een expositie en een boek over zijn eigen familie komen nu wel heel dichtbij. „Moeilijk”, vindt hij dat. Maar het moest wel gebeuren: „Het is belangrijk dat dit verteld en herdacht blijft worden.”

Massamoord

Lindwers ouders kwamen uit Galicië, de grensstreek van Polen en Oekraïne. In 1930 trokken ze naar Amsterdam, net als zo’n zevenduizend andere Oost-Europese Joden.

Lindwers ouders en broer Jonas doken in 1942 onder en overleefden de oorlog, zijn opa Wolf overleed tijdens de onderduik aan een hartaanval. Een tante en een oom werden verraden en opgepakt. Ze kwamen om in Auschwitz.

Oma Ryfka en andere familieleden waren in Oekraïne achtergebleven. Daar werden ze doodgeschoten aan de rand van het massagraf dat ze zelf moesten graven. Kort na de Duitse inval werden daar ruim 1,5 miljoen Joden omgebracht door de nazi’s en door plaatselijke collaborateurs. Dat gebeurde al voordat de Joodse genocide in West-Europa begon.

Schommelstoel

”Kogels, verraad en brieven. Kroniek van een joodse familie”, heet de tentoonstelling waarin dit alles wordt verteld. Lindwer reisde naar de plaats waar zijn oma werd vermoord. In een vitrine liggen nu de voorwerpen die hij van een rabbijn kreeg: gevonden bij het massagraf.

Tussen de panelen zegt Lindwer dat de ”Oost-Joden”, zoals zijn familie, eerder dan Nederlandse Joden tot onderduiken geneigd waren omdat ze al een keer voor antisemitisme waren gevlucht. „Ik denk dat daardoor veel Oost-Joden de oorlog hebben overleefd. Velen van hen handelden in lederwaren, en dat pakten ze na de bevrijding weer op. Mijn vader ook.” Vandaar de leren tassen in een van de vitrines.

Lindwer wijst op de schommelstoel die in de oude gymzaal staat opgesteld: „Een overblijfsel uit de onderduiktijd. Nu staat hij bij ons thuis in Jeruzalem.”

Heldendom en verraad

Zijn familie hield na de oorlog contact met de mensen in Varsseveld die hen verborgen hadden en daarmee hun leven hadden gered. In de Achterhoek werden heldendaden verricht. In de regio Aalten/Varsseveld zaten 700 onderduikers, onder wie 150 Joden. Dat kwam ook door de inzet van de burgemeester van Wisch, J. J. G. Boot, later burgervader in Ede en Hilversum.

Er was ook een andere kant. Meer dan tienduizend Joden zijn door Nederlanders verraden. Dat gebeurde in Varsseveld ook. De aanleiding tot het oppakken van Lindwers oom en tante was nogal banaal: de dochter van hun onderduikgever wilde bij haar vader in huis, maar er was geen plek, dus moest er plek gemaakt worden en daarvoor schakelde ze de Sicherheitsdienst in Arnhem in. Uit drie huizen werden Joden weggehaald. In de expositie is het dagboek te zien van een jongen die het overleefde doordat zijn schuilplaats achter het hooi niet werd gevonden.

Tegen de verraadster werd na de bevrijding vier jaar celstraf geëist. Ze kreeg twee jaar. Dat is drie maanden per opgepakte Jood, van wie er acht waren omgekomen. Geen wonder dat Lindwers moeder tegen deze lage straf protesteerde.

Zelf is Lindwer van 1946. In de expositie ligt de vergeelde pagina van het Nieuw-Israëlitisch Weekblad waarop zijn geboorteadvertentie staat. Op dezelfde pagina ook wanhopige oproepen van mensen die nog steeds op zoek waren naar bekenden van wie sinds de oorlogsjaren niets meer vernomen was.

>>jck.nl/nl/agenda