Belgische Joden meer op hun hoede dan Nederlandse

Het harde optreden tegen de Februaristaking zorgde ervoor dat veel Nederlanders niet meer in actie durfden komen tegen de Jodenvervolging. beeld Wikipedia
3

In 1942 werden ”Roos en kinder” uit een Gronings dorp gehaald en weggevoerd. Omdat ze Joods waren. Een aandoenlijk briefje van Roos is bewaard gebleven.

Roos schreef: „Beste vrienden! Wil u even berichten dat ze ons vannacht om twaalf uur weggehaald hebben. We zitten nu nog in het gemeentehuis en gaan met de tram weg. Menschen, ’t beste hoor. Ik hoop u weer te zien. We hebben goeden moed. Vele groeten, Roos en kinder.”

De goede moed van Roos werd geen werkelijkheid. Van een weerzien van vrienden was voor de meeste Joden helaas geen sprake. Van de 149.000 Joden die tijdens de Duitse inval in mei 1940 in Nederland woonachtig waren, overleefden meer dan 104.000 Joden de oorlog niet. Dat betekent dat maar liefst driekwart van de Joodse bevolking in Nederland omkwam. Alleen in het oosten –in Polen en de Baltische staten– maakten de Joden nog minder kans om de oorlog door te komen.

Ter vergelijking: in Frankrijk overleefde driekwart van de Joodse bevolking juist wel. In België kwam 40 procent van de Joodse bevolking om. Hoe komt het dat er zo veel Nederlandse Joden zijn omgekomen?

De historici Pim Griffioen en Ron Zeller vergeleken de Nederlandse Jodenvervolging met die in België en Frankrijk. Met name België is aan het begin van de Tweede Wereldoorlog vergelijkbaar met Nederland. De Joodse bevolking vormt in beide landen ongeveer 1 procent van de totale populatie. De oorlog begint in dezelfde periode en anders dan in het oosten worden er niet direct na de militaire inval Einsatzgruppen ingezet om Joden te vermoorden.

Griffioen en Zeller richtten zich op drie vragen: Hoe handelen de bezetters, de Duitsers, in Nederland en België? Hoe reageert de omgeving (de Nederlanders en de Belgen) op de anti-Joodse maatregelen? En als laatste: hoe reageren de Joodse Nederlanders en Belgen zelf?

beeld Rijksoverheid

Ambtenaren

Als eerste het optreden van de Duitsers. Zowel Nederland als België krijgt een Duits bezettingsbestuur, waarbij een belangrijke rol blijft weggelegd voor binnenlandse ambtenaren. Een belangrijk verschil is echter dat de Belgen een militair bezettingsbestuur krijgen, terwijl aan Nederland een burgerlijk bestuur wordt opgelegd. Dat burgerlijke bestuur stelt zich ten doel Nederland te nazificeren, waarbij er voor Joden geen ruimte is.

In Nederland zijn de vier belangrijkste bestuurders allen nazi, SS’er zelfs, tegen maar één in België. Dat is geen onbelangrijk verschil. De bezetters in Nederland zorgen bijvoorbeeld alvast voor werkkampen zodra de Endlösung (de oplossing van het ‘Jodenprobleem’) hun bekend wordt gemaakt. Daardoor is het in Nederland van mei 1942 tot midden 1943 vrijwel wekelijks mogelijk om een volle trein met Joden naar het oosten te sturen.

De bezetters van de zuiderburen geven alleen als het niet te veel onrust oplevert toestemming voor ad-hocarrestaties van Joden. In de winter van 1942/1943 zijn er in België geen treinen beschikbaar omdat men het spoor naar Frankrijk vrij wil houden. In diezelfde periode worden er alleen al naar Sobibor 10.000 Nederlandse Joden gebracht – van wie vrijwel niemand is teruggekomen. Zo wordt duidelijk dat Duitse bezetters onderling toch nog sterk kunnen verschil in aanpak en prioriteit – én dat dit veel mensenlevens verschil maakt.

Vlak land

Het vlakke Nederland biedt aanzienlijk minder onderduikmogelijkheden dan het beboste en heuvelachtige België, zou je kunnen denken. Logisch dus dat bij de zuiderburen veel meer Joden een onderduikplek kunnen vinden. Het klinkt plausibel, maar is het niet: want waarom lukt het honderdduizenden Nederlanders die weigeren in Duitsland te gaan werken, wél om in eigen land onder te duiken?

Dat heeft alles te maken met het tijdstip waarop in Nederland de Jodenvervolgingen beginnen. Vanaf juli 1942 starten de wekelijkse deportaties vanuit Kamp Westerbork. De piek duurt ongeveer een jaar, tot midden 1943. Dat is ook het moment waarop het verzet in Nederland steeds meer georganiseerd raakt. Voor de meeste Joden is dat dus te laat.

Eerder is er al wel een grote staking als reactie op het vele anti-Joodse geweld geweest: de Februaristaking van 1941. Deze wordt echter zeer bloedig neergeslagen, wat Nederlandse burgers van verdere acties doet terugschrikken.

Voedseltekort

Ook speelt mee dat de leefomstandigheden in de eerste oorlogsjaren in ons land vrij goed blijven. In België is er sprake van een heel andere dynamiek. Al snel ontstaan daar voedseltekorten en worden er mensen gedwongen tewerkgesteld. Dat leidt ertoe dat de verzetsnetwerken uit de Eerste Wereldoorlog –die Nederland niet heeft– al snel weer worden opgetuigd. Zo’n 40 procent van de Belgische Joden weet daardoor een onderduikplek te vinden.

Toch is daarmee niet alles gezegd over de houding van de omstanders. Bij het opsporen van Nederlandse Joden blijkt het Nederlandse bevolkingsregister uitermate effectief. In België ontbreekt zo’n register vaak, of er klopt weinig van.

Kunnen Nederlandse ambtenaren niet meer doen om de Duitsers in de wielen te rijden? De Nederlandse regering heeft hun opgedragen zo veel mogelijk met de bezetters mee te werken, om algemene chaos te voorkomen. Met die opdracht in het achterhoofd helpt de politie mee met het bijeenbrengen van Joden, blijven burgemeesters aan totdat ze worden afgezet of opgepakt en registreren ambtenaren in het bevolkingsregister wat hun wordt opgedragen.

De inzet van niet-nazistisch Nederlands personeel heeft echter ook een dempend effect op de Jodenvervolging. Iets dergelijks blijkt bijvoorbeeld uit een studie van Frank van Riet naar de inzet van Nederlandse marechaussees bij het bewaken van Kamp Westerbork. Het oordeel van kampbewoners over deze marechaussees blijkt redelijk positief. De Duitsers daarentegen zijn minder tevreden over het optreden van het detachement. Vanwege hulp bij ontvluchtingen en bij het smokkelen van brieven en pakjes verliest de bezetter het vertrouwen in de marechaussees, waardoor ze uiteindelijk door een politiebataljon worden vervangen.

Dat er na de oorlog toch zo negatief wordt teruggeblikt op de inzet van de marechaussee heeft alles te maken met de groeiende bewustwording van wat er onder hun ogen heeft plaatsgehad. Van vriendelijke omstander veranderen zij in de ogen van velen in medeplichtige dader. Van Riet laat echter duidelijk zien dat de meeste individuele bewakers niet veel valt aan te rekenen.

De vraag blijft wat men wist, weten kón over het lot van de Joden. Het is een vraag waarover de laatste jaren onder historici een fel debat woedt. Over het algemeen geldt dat er sprake was van stilzwijgen, zowel bij regeringsleiders als bij gewone burgers. Wie nadacht, de feiten op een rij zette, kon weten dat de Joden een slecht lot trof. Daarover werd te weinig gesproken, al gold dat niet alleen voor Nederland.

In het Fort van Breendonk, twintig kilometer ten zuiden van Antwerpen, komen nieuwe gevangenen aan, 13 juni 1941.  beeld Wikipedia

Slachtoffers

Rest nog de vraag of Joden zelf in beide landen anders hebben gehandeld. Een ongemakkelijke vraag, omdat een volgende gedachtesprong zomaar zou kunnen zijn dat ze de vervolging aan zichzelf te wijten zouden hebben. Dat is natuurlijk niet zo, názi’s besloten Joden te vervolgen en uiteindelijk te vernietigen. Achteraf valt alleen te bezien dat het voor de overlevingskans verschil kan maken hoe er op die verschrikkelijke acties is gereageerd.

De Joodse gemeenschappen in beide landen verschillen stevig. Nederlandse Joden wonen vaak al eeuwen in Nederland en voelen zich eerst Nederlander en dan pas Jood. Al snel wordt er tijdens de bezetting een Joodse Raad gevormd, die veel gezag heeft onder de Joodse bevolking. De nazi’s weten het voor elkaar te krijgen een systeem van vrijstellingen, –zogenoemde Sperren– te introduceren. Daardoor vertrouwen veel Nederlandse Joden er te lang op dat zij wel veilig zullen zijn, totdat het voor hen te laat is om te vluchten.

Het overgrote deel van de Belgische Joden woont daarentegen nog maar een tiental jaren in dat land. Zij zijn gevlucht voor antisemitisch geweld, vaak uit Oost-Europa. Ze zijn zich dus sterk bewust van hun Joodse identiteit –daar zijn ze immers op aangevallen– en alert op tekenen van vervolging. Zodra de Duitsers het land binnenvallen, vluchten ruim 5000 Joden direct België uit. In Sperren en een Joodse Raad heeft men geen vertrouwen. Razzia’s worden zo de enige mogelijkheid voor de Duitsers om Belgische Joden op te pakken.

Nadeliger situatie

Zo blijkt dat voor de drie vragen –houding van de bezetters, onderduikmogelijkheden tijdens de piek van de deportatie, bewustheid van het gevaar onder de Joden– de Nederlandse Joden zich in een nadeliger situatie bevinden dan de Belgische. Het maakt het aantal Joden dat omkwam te verklaren. Onverteerbaar blijft het echter altijd.

Dit is het derde deel in een vierdelige serie over de Jodenvervolging.