Op zoek naar Spaanse wortels

Vakantieland
beeld iStock

Spanje, dat was het land van de Spaanse Inquisitie, van de boze Spanjolen uit de spannende verhalen over de Tachtigjarige Oorlog. Het land van stierenvechters en flamencodansers. En van de Spaanse Evangelische Zending, want de mensen waren er allemaal rooms. Spanje, dat was in mijn jeugd het laatste land waar je als reformatorisch gezin op vakantie zou gaan.

Ik zou er dus waarschijnlijk niet zo gauw terechtgekomen zijn, als mijn moeder me niet verteld had: „Onze familie komt uit Spanje.” Dat fascineerde me mateloos, als kind al. Mijn verre voorouders zouden ooit, omwille van het geloof, de stad Rosas of Roses aan de kust van Catalonië hebben verlaten, om zich in een Gelders dorpje aan de Waal neer te zetten. Zo stond het opgetekend in een oud schrift dat in de familie bewaard werd.

Daar wilde ik dus naartoe, naar Roses. Zodra ik geld genoeg verdiende om zelf zo ver op vakantie te gaan. De naam alleen al deed me denken aan een geheimzinnige stad vol bloeiende rozen en oude verhalen. Maar viel dat even tegen. Toen ik voor de eerste keer in Roses kwam, uiterst naïef en vol verwachting, zag ik alleen maar eindeloze rijen appartementenflats. En hordes toeristen, met roodverbrande benen in shorts, met malle zonnehoedjes en luidruchtige stemmen. Roses bleek dé plek te zijn voor massaal strandtoerisme. Wist ik veel. Ik was blij dat we maar één dagje voor deze stad hadden uitgetrokken. Alleen de zee was mooi. En de omgeving, als je de mensen wegdacht. En de oude burcht in het centrum, maar daar kon je toen –begin jaren negentig– nog niet in.

Wat ik daarvan leerde: de ziel van een land is niet zo makkelijk te vinden op de plekken waar veel toeristen bij elkaar kruipen. Later heb ik Spanje beter leren kennen. Niet in de badplaatsen aan de Costa’s, maar in de bergdorpjes waar boeren cider brouwen en schapenkaas maken. In de schaduw van de platanen op zo’n typisch Spaans stadsplein, waar je eindeloos kunt kijken naar de levendig pratende en gebarende mannen en vrouwen. Op het pad dat omhoogklimt naar een oeroud klooster, uitgehouwen in een bergwand, roze oplichtend in de late middagzon. Al die plekken waar het landschap zich in de zon uitstrekt, en waar het verleden in de schaduwen is blijven hangen.