Op vakantie... en hoe

Vakantie 2019
Die wandelingen in de bergen... ze blijven geweldig!
8

Met een bus vol chaperonnes op weg naar Gerolstein. Of de tent opzetten in het Franse Mesnil-sur-Plage. Of toch liever fietsen langs de kanalen in de Bourgogne. Waar je het ene moment niet aan moet denken, blijkt onder andere omstandigheden ideaal. Hap-snap door het vakantieboek van de familie Middelmaat.

Ergens, diep weggestopt in een uithoek van mijn geheugen, ligt een flard herinnering. Die vakantie in Oldebroek –de enige vakantiereis uit mijn vroege jeugd. Vader en moeder kiezen er niet voor. Vakantie is immers voor rijke mensen, „en dat zijn wij toch niet?!” En –nog belangrijker– zij zijn honkvast. Zij reizen liever door een kruiswoordpuzzel dan door de landkaart. Maar nadat vader een bovenmatige prestatie op zijn werk verricht, krijgt hij een feestelijke beloning: een week met het gezin op vakantie naar Oldebroek.

Het Volkswagenbusje ”van de zaak” zakt bedenkelijk diep door. Beladen met de chauffeur (ook ”van de zaak”), vader, moeder, zeven kinderen en een berg bagage. Het moet ergens rond 1957 zijn. De Oldebroeker behuizing is klein. Normaal woont de boer er, maar in de zomervakantie verkast hij met zijn gezin naar een schuur en wordt de boerderij tijdelijk vakantiewoning.

Er is slechts een enkele foto bewaard. Daarop staat mijn oudste broer, die eerst met zijn vingers het haar van vader heeft ‘gekamd’ en hem dan speels op zijn rug springt. Daar heeft vader duidelijk niet op gerekend. Het verband durft niemand te leggen, maar de rest van de vakantie ligt vader met een hernia op bed.

Moeder loopt urenlang de kleine woonkamer op en neer met een van de meiden die geplaagd wordt door oorontsteking, een chronische gezinskwaal. Reden genoeg voor flinke huilbuien afgewisseld met zielig gejammer. Dat vermengd met luidkeelse speelvreugde van de anderen en gezond geruzie. Moeder zucht. Thuis is het met zeven kinderen op een klein bovenhuis al behelpen, hier is het gewoon primitief. Overleven. Feestelijke beloning? Hoogstens voor de kinderen. Met uitzondering dan van het ontstoken oor.

De jongste, een overigens lief ventje dat overal vrolijk tussendoor dribbelt, ziet de woest zwaaiende schommel niet aankomen. Het geschrokken gegil van de schommelaar laat het projectiel ook niet stoppen. Een voltreffer, het ventje buitelt ondersteboven, de schommel vervolgt zijn weg. Maar kleintjes zijn soepel, in ieder geval dit exemplaar. Duidelijk aangedaan door schrik staat hij schreeuwend op. Om vervolgens de schommel-op-de-terugweg in zijn rug te krijgen.

Dat is het dan. Vader en moeder reppen niet meer over ”rijke mensen”. Zij blijven gewoon liever thuis. Ik vind het vanzelfsprekend, mis de vakantiereizen niet. Ansichtkaarten met zonnige stranden en opschepperige kreten maken me nauwelijks jaloers. Misschien lijk ik toch meer op vader en moeder dan ik zou willen bekennen.

Met de bromfiets

Wie het plan oppert blijft onbekend. Maar het waait door het huis als de tocht bij vrieskou. Laten we met elkaar op vakantie gaan. Nee, vader en moeder niet, natuurlijk. Maar gezamenlijk als kinderen. Behalve de kleintjes, natuurlijk. Mijn leeftijd hangt ergens tussen bromfiets en auto in. Laten we dus met de brommer gaan, roep ik. De oudsten niet, natuurlijk, die hebben een auto. Misschien willen er wel wat vrienden mee. Alleen die we állemaal aardig vinden, natuurlijk. Welgeteld één dus. Het wordt een club van elf, onder toeziend oog van een getrouwd stel. De bestemming is het Duitse Bad Arolsen. Ongeveer 3 uur met de auto, iets langer met de bromfiets.

1972 - Bad Arolsen. Met drie bromfietsen, een Kreidler, Zündapp en RAP op weg.

Het is een speciale aanbieding van een echt hotel in Arolsen, weggestopt in de bossen van Waldeck. Het ligt dichtbij de geboorteplaats van koningin-regentes Emma. Dat voelt direct goed. Het hotel wordt gedreven door Jens, een oud-kapitein op de grote vaart en zijn vrouw Ursula. Al snel blijkt Ursula het werk op haar smalle schouders te dragen. Jens passagiert liever en heeft het ruime sop vooral verwisseld voor schuimkragen. De hotelgasten verrichten dus hand- en spandiensten in de keuken, bedienen zichzelf en nemen Ursula op in hun elftal.

Een volgende vakantie is problematischer. Wel verkering, bijna verloofd, maar nog niet getrouwd en dan samen op pad? Die kat mag niet op het spek gebonden. De Jeugdbond van de Gereformeerde Gemeenten springt in de bres. Met een bus vol chaperonnes gaat het op weg naar een tentenkamp in het Duitse Gerolstein. Onderweg wordt gezongen. Geen hela, hola natuurlijk. Maar toch wel goedsmoeds: ”O Heer, Die daar des hemels tente spreidt”.

Het bivak staat op een hooggelegen plaats. Bij het uitstappen uit de bus weten de meer ervaren kampeerders onmiddellijk een goed plekje te veroveren. Ik talm en vang bot; een restplek tegen een tentstok bij de uitgang. Prachtig, lijkt het. Mooi uitzicht en frisse lucht. Maar het blijkt een soort wildwissel te zijn. Ieder die ’s nachts elders wat kwijt moet, komt er langs. Gehaast en alles onder zich vertrappend. Ook mij.

Roepende stemmen

De rits van mijn tent werkt niet naar behoren. Naar boven is geen probleem, naar beneden leidt tot obstructie. Mijn luchtbed –goedkoop op de kop getikt– zucht ’s nachts langzaam en diep uit. En het is juist die zomer niet te vergeten koud. Bijna dagelijks –de zondag wordt vanzelf in ere gehouden– volgt een wandeling naar het zwembad in het dal. Gewapend met een handvol muntjes wacht je op je beurt voor de douche. Niet om schoon, wel om warm te worden. Op de ansichtkaart naar huis staat vanzelfsprekend een plaatje van het zwembad, een zonnetje en ”Het is hier geweldig!”

Het is de tijd dat sommige voorgangers waarschuwen tegen vakantie en de ledigheid van vrije tijd. De mens is daartoe niet geschapen. Bovendien leidt dat gereis maar tot verval en losbandigheid. En de lucht? Die is voor de vogels. Hun stem wordt nauwelijks gehoord. Ook de gereformeerde gezindte trekt steeds massaler de grens over. Op zoek naar zon, zand en strand.

Die band tussen vakantie en warm weer is hecht gesmeed. Je gaat tenslotte niet op vakantie om fijn in de regen te lopen of te genieten van een dichte mist. De bestemmingen worden soms vergelegen stipjes op de horizon. Voor je gevoel. De huwelijksreis zal worden doorgebracht in Schotland. Het moet een lange wandeltocht worden. Met rugzak door Hooglanden en langs meren, in voetsporen van Knox, met een nipje whisky, kilt en doedelzak. Maar als het huwelijk verplaatst wordt, komt Schotland vanwege weersonzekerheid op de wachtlijst en gaat de reis naar Zwitserland.

Die wachtlijst heeft nog wel wat voeten in aarde. De welgemeende waarchuwingen staan mij nog helder voor de geest en de ouderlijke genen behouden hun remmende werking. En je geld kun je toch ook maar één keer uitgeven. Baten de kosten wel voldoende, is mijn vraag. Mijn bijna ex-verloofde is onverbiddelijk. Vakantie is goed voor je. Rust en ontspanning leveren nieuwe energie. De boog kan –en mag– niet altijd gespannen staan en de investering in een vakantie haal je er dubbel en dwars uit. Ik buig verheugd berustend mijn hoofd.

Lelijk rokende eend

Just married naar Zwitserland; met een Lelijke Eend (voor de kenners een DC 4) waarvan de snelheid alleen al bij de gedachte aan vals plat terugvalt tot stapvoets. Als het er echt op aankomt, blijft slechts de eerste versnelling over. Bij Kandersteg mag het lelijk rokende motortje uitrusten op de autotrein en vanaf Goppenstein gaat het bergafwaarts. Daar openbaart zich een nieuw minpuntje: ik heb hoogtevrees. Op de eindstreep in Haute Nendaz wachten een luxe chalet, een (dan nog) authentiek dorp en adembenemende vergezichten. De volgende dag weten we het zeker. Wij zullen jaarlijks naar Zwitserland afreizen. Liefst ons leven lang. Wat is er fijner dan wandelen? Steeds iets hoger, al was het maar als therapie.

1978 - Haute Nendaz. Elke dag dat overweldigende uitzicht op het Rhônedal en het kerkje van Basse Nendaz.

Het lijkt inderdaad een traditie te worden. Het chalet blijft luxe, maar het dorp vult zich steeds meer met toeristen, wordt wel voller, maar daardoor minder authentiek, maar die wandelingen... ze blijven geweldig. De kinderen die zich als een zegen binnen het huwelijk ritsen, denken er anders over. De beste wandelaars zijn het als ze in het rugstoeltje moedeloos het hoofd ter ruste leggen. Alleen de oudste is bereid; die imiteert met groot gemak een klipgeit. Hoogtevrees is kennelijk geen erfgoed. Voor de andere kinderen is wandelen merkbaar geen uitdaging. En voor pa en ma dus niet langer de ultieme vakantiebesteding.

Stacaravan

Naast de boerderij van de Zeeuwse Simon en Rina staat een oude, maar uit-de-kluiten-gewassen stacaravan. Overblijfsel na een flinke verbouwing van het boerenverblijf. Uitstekend geschikt voor een gezin met jonge kinderen. Die laatsten nemen al snel de leiding op het boerenbedrijf op zich. De deel beschouwen ze als hun speelplaats, de koeien als knuffelberen. Tot de stier losbreekt, dan zit het ontzag voor de agri-fauna er goed in.

Vrouwenpolder ligt dicht bij het strand. Zwitserland wordt dus Zeeland. Het is even slikken. Maar ook een goede les, die je moet eigenen zodra de eerstgeborene het levenslicht ziet. Niet jij, maar je kinderen maken ook tijdens de vakantie de dienst uit. Je mag gelukkig wel meegenieten. Kinderen vragen niet om lange reizen, veel luxe of hoge bergen. Water, zand en een schep, het kan niet simpeler. Douchen in een emmer? Geen probleem. Slapen in een bed vol zand, ze malen er niet om. Patat en pizza? Liefst om de dag.

Kamperen

„Vijf kinderen?” Madame Valvin slaat de handen voor haar mond en herhaalt het verbijsterd: „Vijf kinderen.” Haar echtgenoot, een geweldige verschijning in hemd en met schipperspet op, komt op haar roepen aangeschuifeld. „Deze mensen hebben vijf kinderen”, meldt zij met een mengeling van ontzag en medelijden. „Zoek maar gauw een goede plaats voor ze op.” Na enig gedebatteer in een mengelmoes van Frans en Duits, aangevuld met Hollandse armgebaren mogen we aan de rand van het meer onze tent opzetten. Het mooiste plekje van de Franse Vogezen, vinden wij.

„Denk eraan, eerst een keer proberen. Nooit zomaar een kampeeruitrusting kopen.” We hebben het goed in onze oren geknoopt. In 1991 moet het gaan gebeuren. Het gezin bestaat inmiddels uit zeven personen, de vakanties worden langer, vakantiehuisjes duurder. Vrienden helpen ons aan een vierpersoons bungelowtent, kennissen leveren kookgerei en klapstoeltjes en via via tikken we luchtbedden, slaapzakken en een bijzettent op de kop. Zelfs het grootste probleem –een aanhangwagen– lossen we op.

Om twee uur in de nacht gaan we op weg naar de Franse Haute Savoie. De kinderen schurken zich in hun slaapzakken en dromen al snel verder. Het gaat minder snel dan gedacht. Bij tachtig kilometer per uur begint het stuur van de auto vervaarlijk te trillen. Zou die aanhangwagen...? We zouden er makkelijk mee naar Frankrijk kunnen. Het is zo’n stevig karretje. En hij is pas nog gelast ook.

Rond de tent ontstaat een eigen rommelig ontspannen leefwereld.

Ter hoogte van ’s-Hertogenbosch, bij het spaarzame licht van een (gesloten) benzinestation, pak ik de aanhangwagen uit. Dat krijg je ervan, eigen schuld. Had je eerst maar moeten oefenen. Het laden van een aanhangwagen is een kunst, daar moet je verstand van hebben. Precies een uur later zit de zaak weer vast en lijkt de aanhangwagen weer redelijk recht te staan. Verder maar weer. Via Maastricht en Luik in de richting van Luxemburg. Het trillen op het stuur wordt niet minder, het gebonk en geklapper luider. Dat kan toch niet echt goed zijn. En het is niet goed. De rechter veer van de aanhangwagen blijkt gebroken. De Haute Savoie halen we niet. Wel de Franse Vogezen. We stranden in Granges sur Vologne op de camping van Valvin.

Kampvuurtjes

De kinderen hebben al snel hun badpakken aangetrokken en marcheren onder leiding van de oudste naar het water. Pa en Ma zorgen wel even voor de tent, dat zal hun verder een zorg zijn. Na enig zoeken vind ik een verfomfaaide gebruiksaanwijzing, waarop ik wat steels gluur. Niet iedereen hoeft ten slotte te zien dat het de eerste keer is dat we een tent opzetten. Thuis is het een keer voorgedaan en toen leek het heel simpel. Maar nu... het lukt. Zelfs zonder buizen over te houden of tekort te komen.

De campinghouder blijkt niet moeilijk. ’s avonds zie je overal op het terrein de kampvuurtjes opgloeien. Dochterlief haalt genoeg hout bij elkaar voor een uitslaande brand en vindt het maar niks dat zo’n vuurtje zo kinderachtig klein moet blijven. Ook met het sanitair neemt Valvin het niet zo nauw. Als ik langs het toiletgebouw loop hoor ik een van mijn kinderen –zittend op de pot– luidkeels zingen: „Ai matig Uw kastijden...”

Grenzeloos

Het is het begin van een kampeertraditie, die vele jaren duurt. De uitrusting wordt jaar na jaar completer. Er is slechts één restrictie: kamperen doe je in een tent. Vouwwagen en caravan, laat staan een camper, die zijn voor watjes. Oké, de tent mag best een beetje luxe zijn. Opzetten moet niet te lang duren; zo min mogelijk tentstokken en -haringen dus. Een goede BBQ hoort bij de standaarduitrusting. En zo nog wat attributen die het leven veraangenamen. Want we zeggen wel ‘basic’ te willen leven, maar dat moet liever niet te veel diepgang krijgen.

Grenzen vallen weg: Europa ligt aan onze kampeerdersvoeten. Tsjechië, Duitsland, Italië en vooral Frankrijk. Wij hechten aan goed weer als we in een tent slapen. De enige grens die blijft is de financiële barrière. Met vijf kinderen kan niet elke donjon worden beklommen, elke dierentuin bezocht, iedere kabelbaan driemaal daags genomen. Terrasjes worden dan gepasseerd en de kinderen voor een ijsje meegetroond naar Cora of Carrefour. Of met het verhaal van de Drie Musketiers meegelokt naar de Intermarché. Alleen in Tsjechië en Slowakije kun je wat ruimhartiger zijn; daar zijn de prijzen van de lokale waren erg behapbaar. Achteraf blijkt Pa er het meeste last van te hebben gehad. Kinderen genieten van wat ze krijgen, niet van wat ze missen.

Het gezin breidt zich uit met schoonkinderen-in-opleiding. We nemen de functie van de Jeugdbond over en naast de grote Karsten-tent ontstaat een kampement, ongeveer zoals bij het beleg van Breda. Zelfs de eerste kleinkinderen weten al vroeg wat kamperen is.

Rond de ”moedertent” groeit een kampement van formaat.

Totdat... 2006. Zuid-Frankrijk. Het is ijzig koud. Na de nacht te hebben doorgebracht met een driedubbele laag kleding aan en bibberend de slaapzak (een heel goede en bepaald niet goedkoop op-de-kop getikt) onder onze kinnen geklemd, kijken mijn vrouw en ik elkaar aan. „Willen we dit echt nog?” Nee, schudt de een. Inderdaad, nee, knikt de ander. Het besluit is gevallen. Het was mooi zo. De tent met uitrusting verkopen we ter plaatse aan een van de kinderen, die de barre omstandigheden natuurlijk uitbuit. Grootmoedig als ze zijn mogen we de uitrusting die laatste paar dagen lenen, om niet.

We zijn nog niet terug bij af. We fietsen graag; we peddelen het liefst lange afstanden. Onder niet al te extreme omstandigheden. Het zoeken van een goede route is al een beetje voorpret. Als we ten slotte de Kanalenroute in Bourgondië adopteren, liggen in huis al de routeboekjes om vanuit Zwitserland de Rijn af te zakken naar huis. Of van Apeldoorn naar Berlijn te fietsen. De Mozart-radweg in Oostenrijk; fietsen rond Het Kanaal, biken in Toscane. We kunnen vooruit. Amacitia moet nog wat geduld hebben.

Schotland? O ja, maar het weer, hè. Voorlopig halen we Schotland gewoon hierheen. In huis. Butterscotch bedoel ik, natuurlijk.