Kies maar: wat wilt u doneren?

Orgaandonatie

Halverwege 2020 verandert de wetgeving rondom orgaandonatie. Iedereen moet dan een keuze maken: wil je wel of geen organen afstaan? De belangrijkste vragen op een rij.

Wat verandert er precies per 1 juli?

Dan verwacht de overheid dat iedere Nederlander van 18 jaar en ouder zijn of haar keuze over orgaan- en weefseldonatie kenbaar heeft gemaakt.

Wie dat op 1 juli niet heeft gedaan, krijgt daarover een brief. Blijft een reactie uit, dan volgt zes weken later een herinneringsbrief. Wie dan nog niet binnen zes weken reageert, wordt automatisch geregistreerd als „geen bezwaar” hebbend tegen orgaan- en weefseldonatie.

2020-03-28-rdMAG4-wilbrink-3-FC_webOverleven met andermans orgaan

Welke keuzes kun je maken?

Er zijn vier mogelijkheden: wel of geen toestemming voor orgaandonatie, de keuze is aan de partner of familie, of iemand anders kiest.

Verder kun je aangeven voor welke organen of weefsels je toestemming geeft. Voor de organen gaat het om de alvleesklier, darmen, hart, lever, longen en nieren.

Bij de weefsels betreft het de bloedvaten, botweefsel, hartkleppen, kraakbeen, pezen, huid en ogen (hoornvlies).

Waar kun je je registreren?

Via het donorformulier. Iedere volwassene die minimaal drie jaar in Nederland woont, ontvangt er een per post. Dit formulier is ook telefonisch aan te vragen via 0900-8212166.

Daarnaast kunnen de wensen online worden doorgeven op mijn.donorregister.nl.

Staat je keus voor altijd vast?

Nee, die is op elk moment aan te passen.

Worden wilsonbekwamen en analfabeten die niet reageren straks ook geacht donor te zijn?

Ja. Ook mensen met dementie, een verstandelijke beperking of een psychiatrische aandoening moeten hun keuze bekendmaken. Doen zij dat niet, dan krijgen ze de aanduiding ”geen bezwaar”.

Als blijkt dat zij oordeelsonbekwaam zijn, dan mag een arts niet zonder toestemming van een wettelijk vertegenwoordiger of een familielid organen uitnemen.

2020-03-28-rdMAG16-kompanje3-5-FC_2_webVoor familie kan orgaandonatie zwaar zijn

Wie komen er medisch gezien in aanmerking om donor te zijn?

In principe kan iedereen, van baby tot op hoge leeftijd, organen of weefsels doneren. Wel is het zo dat de orgaankwaliteit met de leeftijd afneemt. Zo kan het hart tot 65 jaar worden gedoneerd, de longen tot 75 jaar en de alvleesklier tot 60. De dunne darm kan echter tot maximaal 50 jaar worden afgestaan; bloedvaten maar tot 46 jaar. Voor nieren en lever geldt geen leeftijdsgrens.

Ook wie een ziekte heeft of bepaalde medicijnen gebruikt, kan donor zijn. Vanwege het tekort aan organen kan zelfs een aids- of tuberculosepatiënt in aanmerking komen voor orgaandonatie. Zijn of haar organen zouden immers bruikbaar kunnen zijn voor iemand anders met aids of tbc.

Heeft iemand kanker of suikerziekte, dan zijn de organen meestal niet bruikbaar.

Kun je thuis organen afstaan?

Nee. Donatie van bijvoorbeeld de lever en de longen kan alleen plaatsvinden als iemand op de intensive care overlijdt.

Dat heeft ermee te maken dat er maar enkele minuten tijd mag zitten tussen het moment dat iemands hart ermee stopt en het moment van orgaandonatie. Zit daar meer tijd tussen, dan raken deze organen te zeer beschadigd als gevolg van zuurstoftekort.

Weefsels, zoals de huid, hoornvliezen en botweefsel, kunnen wel worden gedoneerd nadat iemand thuis is overleden. Het lichaam moet dan naar een mortuarium worden gebracht. Deze weefsels kunnen nog lange tijd bruikbaar zijn.

Welke vormen van orgaandonatie zijn er?

Twee: orgaandonatie bij een hersendode patiënt of bij iemand bij wie de behandeling wordt gestaakt omdat er geen zicht is op herstel. Ook in het tweede geval zijn de hersenen meestal fors beschadigd, als gevolg van bijvoorbeeld een bloeding, een zuurstoftekort of een trauma.

Bij iemand die hersendood is verklaard, wordt het hart pompende gehouden tot het moment dat er op de operatiekamer organen worden verwijderd. Vandaar dat dit ”heartbeating”-orgaandonatie wordt genoemd.

Bij de andere vorm, de zogenaamde ”non-heart beating”-procedure, wordt de overledene vijf minuten nadat de bloedsomloop is gestopt naar de operatiekamer gebracht. Het hart kan dan niet meer worden gedoneerd.

Wat moet je doen als je slechts een van die twee vormen wilt toestaan?

In het donorregister is het niet mogelijk hieruit te kiezen. Kies dan niet voor ”ja” of ”nee”, maar laat de keuze aan de familie over en breng die op de hoogte van je wens.

Hoe stellen artsen hersendood vast?

Hersendood is het volledige en onherstelbare verlies van de functies van de hersenen, inclusief de hersenstam en het verlengde merg. Artsen volgen een specifieke procedure voor het vaststellen van deze toestand. Dat gebeurt alleen als er sprake is van een dodelijk, onbehandelbaar hersenletsel waarvan de oorzaak bekend is. Het moet dus duidelijk zijn dat er geen andere oorzaken zijn die de bewusteloosheid en reactieloosheid van de patiënt verklaren, zoals onderkoeling of vergiftiging.

Wordt aan deze voorwaarde voldaan, dan kan de hersendoodprocedure in gang worden gezet. Die start met klinisch-neurologisch onderzoek. Daarbij onderzoekt een neuroloog of neurochirurg of de patiënt reageert op (pijn)prikkels.

Daarnaast test hij de afwezigheid van hersenstamreflexen. Dat kan op verschillende manieren. Er is geen reflex als de pupillen niet vernauwen wanneer hij met een lampje in de ogen schijnt. Ook is er geen reflex als de ogen meedraaien wanneer hij het hoofd snel van links naar rechts draait.

Ook wil de arts graag weten of de cornea- en hoestreflex nog functioneren. Sluiten de oogleden als hij met een wattenstaafje over zijn ogen wrijft? En gaat de patiënt hoesten als de arts met een beademingsbuisje in de keelopening beweegt of de luchtpijp uitzuigt?

Dan is er nog de ijswatertest. Als de arts koud water in iemands oren spuit, zouden zijn ogen moeten bewegen. Gebeurt dat niet, dan is er geen reflex.

Als er geen reacties zijn, volgt aanvullend onderzoek. Hierbij worden de functie en de doorbloeding van de grote hersenen onderzocht. Dat kan op drie manieren: met een elektro-encefalogram (eeg), een transcranieel doppleronderzoek (TCD) of een CT-angiografie (CTA). Een eeg onderzoekt de hersenactiviteit, een TCD en CTA de hersendoorbloeding. Een van de drie testen volstaat.

Als laatste criterium dient de ademhaling niet spontaan op gang te kunnen komen. Hiervoor wordt de beademing even losgekoppeld. Gaat de patiënt niet zelfstandig ademhalen, dan levert dat het laatste bewijs dat iemand hersendood is. Zodra dit vaststaat, wordt iemand hersendood verklaard. Dit geldt als het officiële moment van overlijden.

Artsen sluiten vervolgens de beademing weer aan, zodat de organen goed blijven voor donatie.

Bij de hele hersendoodprocedure, die enkele uren duurt, zijn meestal twee of drie artsen betrokken.

Is een persoon die hersendood is verklaard ook echt overleden?

Medisch en juridisch gezien wel. Iemands persoonlijkheid huist in zijn hersenen. Zijn de hersenen volledig verwoest zoals bij hersendood, dan bestaat zijn persoon niet meer en is hij overleden.

De organen kunnen, dankzij de apparatuur, nog wel intact zijn. Hij of zij is dan alleen „biologisch nog in leven”, zoals dr. Erwin Kompanje het noemt.

Het precieze moment waarop iemands ziel het lichaam verlaat, zal wel altijd een mysterie blijven.