Wat je moet weten over de Dordtse synode

Synode van Dordrecht
De Haagse predikant Johannes Wtenbogaert, geschilderd door Rembrandt in 1633. De remonstrantse predikant was bevriend met Arminius en de voornaamste opsteller van de Remonstrantie. beeld The Yorck Project
3

Het is november 1618. De strijd met Spanje is voor een tijdje gestaakt. Toch heerst er geen vredige rust in de Nederlanden. Sterker nog: als er niets gebeurt, dreigt de Republiek in een burgeroorlog terecht te komen.

De spanning tussen landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt en stadhouder Maurits, de zoon van Willem van Oranje, was na de wapenstilstand in 1609 steeds hoger opgelopen. Zo hoog zelfs, dat Maurits ervoor zorgde dat Van Oldenbarnevelt, de hoogste ambtenaar van de Staten van Holland, op 29 augustus 1618 werd gevangengenomen en vastgezet in Slot Loevestein.

De meningsverschillen tussen de stadhouder en de landsadvocaat waren enerzijds politiek van aard. De druppel die voor Maurits de emmer deed overlopen, was de Scherpe Resolutie die Van Oldenbarnevelt invoerde op 4 augustus 1617. Volgens dat besluit mochten stadsbestuurders in Holland soldaten in dienst nemen om de orde te handhaven tijdens een volksoproer. Die zogenoemde waardgelders waren volgens Maurits een gevaar voor de eenheid van de staat. De stadhouder zette de waardgelders met zijn eigen troepenmacht buitenspel. Een jaar later, op 29 augustus 1618, was de positie van Maurits zo sterk geworden, dat hij Van Oldenbarnevelt gevangen kon zetten.

Het conflict tussen Maurits en Van Oldenbarnevelt kan anderzijds niet los worden gezien van de theologische discussie die was ontstaan tussen de remonstranten en de contraremonstranten (zie kader ”Remonstranten en contraremonstranten”). Van Oldenbarnevelt steunde de eerste groep, Maurits de laatste. Beide prominenten waren echter geen geschoold theoloog. De theologische leergeschillen konden in hun optiek daarom het beste worden opgelost op een speciale vergadering van mannen die wel verstand hadden van de godgeleerdheid. Ze verschilden echter van mening over de manier waarop die bijeenkomst moest worden georganiseerd en wat de invloed van de overheid daarop moest zijn.

Nadat Maurits Van Oldenbarnevelt had uitgeschakeld, zorgde hij ervoor dat overal in de Republiek voor het eerst in jaren weer provinciale synoden werden gehouden. De verschillende regionale kerkelijke vergaderingen benoemden samen 37 predikanten en 19 ouderlingen die als afgevaardigden de Nationale Synode zouden bijwonen (zie kader ”Aanwezigen op de synode”). Als locatie werd gekozen voor Dordrecht. ”Dordt” had al naam gemaakt als synodale stad en vormde een calvinistisch bolwerk, in tegenstelling tot het meer remonstrantse Utrecht.

De vergadering werd bestempeld als Nationale Synode, al is die typering enigszins verwarrend. Er waren, zoals gezegd, inderdaad afgevaardigden van de provinciale synoden aanwezig, alsmede vijf hoogleraren. Namens de overheid waren achttien afgezanten aanwezig, de commissarissen-politiek.

Maar de synode was ook een internationaal gebeuren; 23 theologen kwamen uit het buitenland (zie kader ”Aanwezigen op de synode”). Zij vertegenwoordigden Engeland, Schotland en enkele Duitse en Zwitserse gebieden.

De contraremonstranten waren onder de kerkelijke afgevaardigden in de meerderheid. De groep remonstranten die aanwezig was, bestond uit veertien man. Zij deden hun uiterste best om hun geluid –letterlijk– sterk te laten horen. Door ellenlange redevoeringen te houden, probeerden zij de synode te laten mislukken. Synodevoorzitter Johannes Bogerman (zie kader ”Johannes Bogerman”) stak daar in januari 1619 een stokje voor, toen hij zich genoodzaakt zag de remonstranten weg te sturen: „Gaat heen, gaat heen!”, beval hij hen geëmotioneerd. De Acta, ofwel de handelingen van de synode, waarin het verloop van de discussie werd bijgeouden, zijn er duidelijk over: het geduld van Bogerman was op.

Na het wegsturen van de remonstranten zou de synode nog zeker vier maanden duren. Op 29 mei 1619 werd de 180e en laatste sessie gehouden. Enkele weken daarvoor, op maandagmorgen 13 mei, was Johan van Oldenbarnevelt op 71-jarige leeftijd op het Haagse Binnenhof onthoofd. Ondanks alle commotie werd er die maandagmiddag in Dordrecht echter gewoon vergaderd.

De Dordtse Leerregels werden uiteindelijk vastgesteld en aanvaard tijdens de 136e zitting, in april 1619. Samen met de Nederlandse Geloofsbelijdenis van Guido de Brès uit 1561 en de Heidelbergse Catechismus van Ursinus en Olevianus uit 1563 zouden zij gaan gelden als de Drie Formulieren van Enigheid in de Gereformeerde Kerk van de Nederlanden.

De Dordtse Kerkorde (DKO), een herziening van en aanvulling op de Haagse kerkorde van 1586, werd aanvankelijk lang niet door alle gewestelijke overheden aangenomen. Alleen Utrecht, Gelderland en Overijssel hadden die bereidheid. Toch zou de invloed van de DKO tot in onze dagen groot blijven; vooral in kerkgenootschappen die zich na 1834 afscheidden van de Nederlandse Hervormde Kerk werd de DKO weer in gebruik genomen.