George Harinck: Mooi schrijven over het falen van toen

Het Gesprek
Prof. George Harinck. beeld RD, Henk Visscher

Het hart van George Harinck klopt nu al sneller bij de gedachte aan de reacties op zijn boek ”Domineesfabriek”, dat volgende week verschijnt. In deze geschiedenis van de Theologische Universiteit Kampen gaat het onder meer over conflicten tussen mensen die nog leven. „Het gesprek met de gereformeerde traditie wil ik graag doorgeven.”

Het liep tegen het eind van de middag. George klapte in de studiezaal van de Universiteit Leiden nog even een boek open: Huizinga’s ”Erasmus”. „Ik werd direct getroffen door de prachtige beschrijving van het Nederlandse landschap.”

Wat kon die Huizinga schrijven. En dat paste helemaal bij wat Harinck wilde. Ooit had hij nog getwijfeld tussen Nederlands en geschiedenis. Het werd het laatste. „Maar wel in Leiden. Daar werd ons geleerd dat een historicus de ontdekkingen die hij doet mooi moet opschrijven. Dat sprak me aan.”

De Leidse hoogleraren gaven zelf het voorbeeld. Fasseur werd bekend met zijn biografie over koningin Wilhelmina. En Wesseling met ”Verdeel en heers” over Afrika en zijn biografie over De Gaulle.

Als hij alleen invloed uit Leiden had ondergaan, was Harinck vermoedelijk geen hoogleraar in de geschiedenis van het neocalvinisme geworden. Hij kwam later aan de Vrije Universiteit in contact met G. Puchinger. Die was gevormd door de dichter en historicus F. C. Gerretson, en die was weer gevormd door Groen van Prinsterer.

Ooit trof Puchinger Gerretson mijmerend bij het raam. „Hij zei: „Nu even stil zijn.” Hij zocht nog naar een rake typering. Gerretson was ervan overtuigd dat er altijd één woord is dat precies bij een situatie past. De moeite om de dingen precies te zeggen, leverde leesbare teksten op.”

Puchinger nam dat over. „Hij was een echte publiekshistoricus. Hij keek neer op de academici die alleen voor elkaar schrijven. En in die lijn ga ik verder.”

Wie zijn de grote historici van onze tijd?

„In elk geval Huizinga. ”In de schaduwen van morgen” uit 1935 beschrijft heel trefzeker het onbehagen van die tijd, die uitliep op de Tweede Wereldoorlog.

Huizinga werd –zeker aan de Leidse universiteit– gezien als liberaal. Toch had Europa de christelijke traditie nodig, zo blijkt op de slotpagina van ”Schaduwen”. Recent verscheen een boek met uitgeschreven gebeden van hem uit de oorlog, die door de familie zijn vrijgegeven. Eerder wisten we al dat hij elke dag het Onze Vader bad. Mensen die bidden en dat ook nog opschrijven, zijn christen.

Een andere grote historicus is Loe de Jong. Zijn serie over Nederland in de oorlog is op details misschien verouderd. Maar pak het deel over mei 1940 en je wordt nog steeds geboeid. Er is kritiek op zijn indeling van goed en fout, maar uiteindelijk ging het daar wel om.”

Heeft de geschiedenis een kern?

Mijmerend: „Het verleden is wel omschreven als een vreemde wereld waarin mensen dingen anders doen. Wij geven dat door aan mensen van deze tijd. Als iemand uit dat verleden onze weergave zou kunnen lezen, zou hij zeggen dat het anders was. Maar het is bedoeld voor mensen van vandaag. Het heeft een vormende werking. Wij spiegelen ons ook aan het falen van toen.”

Heeft de geschiedenis een doel?

„Als christen zeg ik van wel. Maar dat weet ik vanuit de Bijbel, niet vanuit de bronnen. Dat kleurt mijn blik al voor ik het archief in duik. Ik geloof dat elk medemens er met een reden is. Maar dat zie ik niet aan die mens zelf. Dat besef komt van de andere kant, uit de openbaring van God.

We blikken momenteel terug op zeventig jaar Israël. De historicus kan niet vanuit de bronnen zeggen of er in mei 1948 bepaalde Bijbelse profetieën in vervulling gingen. Wel kan de historicus vaststellen dat het Joodse volk met raadselen omgeven is. Welk ander volk uit de oudheid bestaat immers nog? Ook het antisemitisme is een moeilijk te verklaren verschijnsel, maar we zien dat het nog altijd bestaat.”

Helemaal steriel is dat werken vanuit de bronnen niet, zo weet Harinck. Volgende week verschijnt het boek ”Domineesfabriek” over de theologische opleiding vanaf 1854 in Kampen, dat hij samen met Wim Berkelaar schreef. Hij vindt het best spannend hoe de reacties zullen zijn. „De jaren vijftig en zestig zijn voor de vrijgemaakte universiteit zeer vervelend geweest. Veel mensen die dat hebben meegemaakt, leven nog. Die combinatie maakt het tot moeilijk terrein.”

Harincks belangrijkste bron was het archief van de universiteit. „De verslagen van vergaderingen zijn vrij uitgebreid. Daarnaast heb ik materiaal gebruikt van mensen die erbij betrokken waren. Daar waren soms interessante brieven bij.”

Vanuit al deze bronnen probeerden Harinck en Berkelaar een beeld te reconstrueren. „We hebben het vrij feitelijk gehouden; het heeft misschien iets kroniekmatigs. Maar het gaat over heftige emoties. Je leest erin dat sommige mensen elkaar het gereformeerd zijn ontzeggen. Met Loe de Jong zeg ik: Goed en fout bestaan echt; er zijn daders en er zijn slachtoffers.”

Wat verraste u het meest in dat archief?

„De grote lijnen wist ik al. Verrassend was voor mij de rol die prof. H. J. Schilder in 1958 speelde in de benoeming van Jaap Kamphuis. Aanvankelijk wilden de hoogleraren na het overlijden van een collega geen opvolger aan de synode voordragen. Er waren enkele predikanten bezig met afstuderen en men wilde op hen wachten.

Maar de synode wilde toch een kandidaat. Daarop doorbrak prof. Schilder de eenstemmigheid in de senaat en noemde ds. Kamphuis. Dat was een profeet, zei hij, en die had de kerk op dat moment meer nodig dan de kundigheid van doctorandussen. De synode had kunnen wachten tot de predikanten D. Deddens en R. H. Bremmer waren afgestudeerd. Maar ze kozen de profeet, vanwege diens positie in de kerkelijke situatie. Achteraf zeggen velen: Door Kamphuis is de scheuring van 1967 gekomen. Zonder hem zou het in elk geval anders zijn gelopen.”

U begon al in 1999 met dit onderzoek. Waarom duurde het zo lang?

„Een tijd lang hield ik niet van dit boek. Toen ik eraan begon, leefden we als vrijgemaakten nog in een ander tijdperk. Prof. J. Kamphuis leefde nog. Inmiddels is er veel veranderd. Daarnaast waren er allerlei praktische oorzaken voor de vertraging.

In mijn computer zitten trouwens wel meer boeken die voor driekwart af zijn. Zo ben ik al lang bezig met de Amerikaanse theoloog Geerhardus Vos. Af en toe houd ik op een conferentie een lezing over hem, en dan heb ik weer een hoofdstuk. Maar door tijdgebrek loopt het niet zo vlot. Zo ging het ook met ”Domineesfabriek”.”

Op het schutblad van uw boek staat een citaat uit De Bazuin uit 1903, dat zegt dat er bij de oprichting in 1854 aarzeling bestond bij een theologische school omdat zo’n „domineesfabriek” mensen zou afleveren die „niet van God geleerd” waren. In hoeverre is die aarzeling achteraf terecht?

„Niet, denk ik. De opleiding heeft heel veel goeds gebracht. Er zijn onder andere een paar duizend predikanten opgeleid. Als je die 160 jaar door je oogharen overziet, zie je dat men altijd in verbinding met de gereformeerde belijdenis heeft willen staan.

Ik meen dat in ons boek ook doorklinkt dat er heel veel vroomheid was. Vooral onder de hoogleraren. Jaap Kamphuis was een bevindelijk man; anderen waren misschien meer steriel. Ik denk dat de bevindelijken ook heel veel hebben geprofiteerd van de theologie in Kampen.”

U bent opgegroeid in het rijke vrijgemaakte leven. Hoe was dat?

„Een warm nest. Ik groeide op in de jaren zeventig en dat was het decennium zonder conflict. In onze familie waren wij het enige vrijgemaakte gezin. Mijn vader was geen lid van al die gereformeerde organisaties en wij gingen het Nederlands Dagblad pas in de jaren zeventig lezen. Ik was me niet sterk bewust van het aparte van vrijgemaakten.

In het vrijgemaakte studentenleven heb ik Schilder en Dooyeweerd leren kennen. Dat was een verrijking. Ik sloot me later echter niet aan bij al die G-organisaties en werd lid van het CDA. Mijn hervormde schoonvader leidde onze trouwdienst en zodoende wilden sommigen er niet komen. Mijn vrouw waardeerde desondanks de daadkracht van de vrijgemaakten en hun aandacht voor de jeugd. We zijn ook niet op weg om de vrijgemaakte kerk te verlaten.”

In hoeverre hadden vrijgemaakten het gevoel dat ze in hun eentje de wereldkerk vormden?

„Natuurlijk; zíj waren de kerk van Christus. Alle geestverwanten, zoals bonders en christelijke gereformeerden, waren kerkelijk niet consequent.

Als je zo naar de kerk kijkt, hoef je ook nooit iets af te stemmen. Vanuit de Bijbel werd een standpunt doorgevoerd, zonder dat men zich afvroeg hoe dit in verwante kerken lag. Zo werkt dat nog rond zaken als Bijbelvertaling en de vrouw in het ambt.

De vrijgemaakten traden arrogant op, maar werden zelf ook als sekte bejegend. De doopvisie van Schilder riep bij hervormden soms best herkenning op, maar het kerkelijk standpunt schiep afstand.”

Hoe werkt dat vandaag?

„In vrijgemaakte kring is het nu normaal om te zeggen dat vroeger alles fout was. Van strikte visies hebben mensen hun bekomst. De verheerlijking is omgeslagen in afkeer. Klaas Schilder zei dat het een diep geluk is om gereformeerd te zijn. Nu verbinden mensen het woord gereformeerd met uitsluiting. In de Gereformeerde Gemeenten weet men ds. G. H. Kersten nog altijd te respecteren, ondanks de vlekjes door de oorlog. Maar de vrijgemaakten zeggen ”brr” als je over Schilder begint.

Mijn vrouw is docent geschiedenis op een school die vanouds vrijgemaakt is. Daar laat ze leerlingen een interview met hun grootouders houden. Vrijwel allemaal vertellen ze over het drama van de scheuringen en dat ze vroeger weinig mochten. Van die vreugde van Schilder hoor je weinig.

Kerkelijk zie je een sterke verwarring. Toen ik jong was, trof je in elke vrijgemaakte gemeente dezelfde liturgie en bijna dezelfde sfeer. Die eenheidsworst was denk ik niet goed. Nu zie je liturgische experimenten die soms evangelisch aandoen. Terwijl de klassieke liturgie in balans is, van schuldbelijdenis tot lofverheffing. De inkadering in de traditie is weg. We zijn op zoek naar wie we zijn. En ook op zoek naar wat gereformeerd is.”

Als historicus van het neocalvinisme ‘verkeert’ u dagelijks met mensen als Kuyper, Bavinck en Schilder. Met wie zou u eens een avondje willen bomen?

Direct: „Met Bavinck. Hij hield zich als gereformeerd intellectueel bezig met moderne vragen. Hij probeerde anderen te begrijpen. Die openheid zie je terug in zijn rede over oecumene uit 1888. Het beginseldenken van Kuyper vond hij te star.

Schilder spreekt me weer aan vanwege zijn polemische vuur. En Kuyper blijft verrukkelijk. Zijn levendigheid is zo ontzettend niet-saai. Dat was wel een beetje een contrast met de voorspelbare vrijgemaakte wereld. Kortom, ik verveel me nooit.”

Bavinck schrijft ook vol gloed over Christus. In hoeverre resoneert dat bij u?

„Dat doet het zeker, ook al is het spreken over die dingen niet mijn kracht. Maar zijn spreken over de mens en het christelijk leven spreekt me nog meer aan. In onze cultuur wordt het geloof als iets extra’s gezien. Volgens Bavinck is dit leven onder een open hemel en een relatie met God het gewone leven, zoals het bedoeld is.

Misschien klinkt dit wel heel neocalvinistisch, maar ja, dat zit er diep in.”

Levensloop prof. dr. G. Harinck

George Harinck werd geboren in 1958. Hij volgde prof. dr. J. de Bruijn op als directeur van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme (1800-heden) (HDC) aan de Vrije Universiteit. In 2003 werd hij bijzonder hoogleraar geschiedenis aan de Theologische Universiteit Kampen (Broederweg). Aan die universiteit is hij ook directeur Archief- en Documentatiecentrum (ADC) van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt.

In 2007 trad Harinck aan als hoogleraar geschiedenis van het neocalvinisme aan de VU. In 2018 werd hij hoogleraar voor de geschiedenis van het protestantisme te Kampen.