Dr. Rouwendal: Gereformeerde gezindte moet zich bezinnen op evolutieleer

Maandoverzicht oktober 2019
Rik Peels sprak vrijdag in de kerkzaal van de VU in Amsterdam bij de presentatie van het boek ”En God zag dat het goed was”. Links vooraan de andere twee eindredacteuren René Fransen en William den Boer. beeld Eran Oppenheimer
2

„Van de 25 auteurs hebben er 23 op hun deelterrein geen problemen met de evolutietheorie. Dat had ik eerlijk gezegd niet verwacht”, liet uitgever Pieter Rouwendal vrijdag weten na afloop van de presentatie van de bundel opstellen ”En God zag dat het goed was” in de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam.

Het boek verscheen onder het wetenschappelijke label Summum van Rouwendals uitgeverij Brevier. Niet zonder reden. „De gereformeerde gezindte heeft te lang de kop in het zand gestoken en anderen de kastanjes uit het vuur laten halen. De evolutietheorie staat wetenschappelijk veel sterker dan de gezindte denkt.”

De uitgever vindt het van groot belang dat de theologische bezinning doorgaat over de verhouding natuurwetenschap en Bijbel. De bundel gaat voor een groot deel over de vraag in welke mate Genesis 1 tot 3 kan worden geïnterpreteerd op een wijze die niet in conflict is met de evolutietheorie. Rouwendal: „Ik verwacht dat de uitgave kritiek zal oogsten in de rechterflank van de gereformeerde gezindte. Maar het stellen van de juiste vragen is nu een belangrijkere stap dan het geven van de juiste antwoorden.”

Filosoof Rik Peels (VU) vormde samen met theoloog William den Boer (TUK Kampen) en bioloog René Fransen (Rijksuniversiteit Groningen) de eindredactie van het boek. „De aanleiding voor de uitgave was de studiedag in 2017 in Nijkerk over het boek ”En de aarde bracht voort” van Gijsbert van den Brink, hoogleraar theologie en wetenschap (VU). We hebben daarop 25 vragen geformuleerd, waarop 25 vakwetenschappers een antwoord hebben geformuleerd”, laat Den Boer desgevraagd weten.

Fransen: „Die antwoorden waren voor ons ook verrassend. En, om misverstanden weg te nemen, er zit geen verborgen agenda achter.”

Mythe

Volgens Peels is het boek hard nodig, omdat eerdere publicaties geen grondige theologische bezinning bieden. Hij stelt in zijn lezing onomwonden dat Van den Brink er „de katalysator” van is geweest dat het boek vandaag het licht ziet. „En laat ik maar meteen zeggen dat ik hem hier enorm dankbaar voor ben.”

Hij stelt dat veel mensen wetenschap vaak „prachtig en fantastisch” vinden, maar niet als het om de evolutietheorie gaat. Hij stoort zich eraan dat de weergave van de evolutietheorie die christelijke jongeren meekrijgen vaak niet strookt met wat ze op de universiteit ontdekken. „Ik lig er wakker van als mensen de kerk de rug toekeren, omdat ze bepaalde vragen daar niet mogen stellen, omdat men niet bereid is zich grondig in de evolutietheorie te verdiepen, of omdat mythes of stereotypen in stand worden gehouden.”

Het boek laat de biologische vragen rusten en richt zich volgens Peels op het probleem hoe de Bijbel moet worden gelezen. „Als de evolutietheorie waar is, hoe moet de Bijbellezer dan omgaan met de evolutionaire opvatting dat er altijd al dood in de wereld was, en andere theologische uitdagingen meer.”

Andere vragen in de bundel zijn: wat betekent het woord ”goed” in Genesis 1 als er voorafgaand aan de komst van de mens al dood en lijden in de wereld waren? En wat is de relatie tussen de eerste en tweede Adam in Romeinen 5 wanneer Adam als uit vele mensachtigen werd gekozen om verbondshoofd voor allen te worden?

Gijsbert van den Brink sluit in zijn lezing zelfs niet uit dat het doordenken van het ontstaan van moraal en religie door natuurlijke selectie „een levensbeschouwelijke verschuiving kan opleveren.”

Volgens oudtestamenticus Mart-Jan Paul (ETF Leuven) gaat het in deze discussie niet slechts over een paar Bijbelhoofdstukken, maar komen er „fundamentele exegetische vragen over de verhouding van geloof en wetenschap aan de orde.”

2018-05-15-KRK1-ouweneel-4-FC_webOuweneel gaat „broederlijke” strijd aan met Van den Brink over evolutieleer

Levensadem

In Genesis 2 staat bijvoorbeeld dat Adam uit de aarde wordt gevormd en daarna de levensadem krijgt ingeblazen. „Waarom heeft de Bijbel dan niet in eenvoudige taal laten weten dat God een dier nam en dat nieuwe eigenschappen gaf. Er staat namelijk echt iets anders.”

Paul refereert aan de Amerikaanse theoloog Benjamin Warfield (1851-1921) die in de negentiende eeuw al pogingen deed om de evolutietheorie en de theologie te integreren. „In zijn collegedictaten staat: „We moeten toegeven dat het verslag van de schepping van Eva een zeer serieuze hindernis is voor een leer over schepping door evolutie.” Warfield heeft gelijk dat hier een serieus probleem ligt.”

Ook de vervloeking van de aarde in Genesis 3 is volgens Paul een aangelegen punt. „Voortaan doet bij de mens de dood de intrede. Ook gaat de aarde dorens en distels voortbrengen. In diverse bijdragen in de bundel klinkt door dat die dood er al lang was, en dat er uiteraard ook al dorens en distels waren. Hier liggen dus knelpunten. Deze worden in de bundel slechts aangeduid, maar niet goed behandeld.”

De hoogleraar vraagt zich af wat er dan in deze wereld is veranderd na de vervloeking. „Dat er echt iets is gewijzigd, klinkt ook door in de woorden van Lamech, de vader van Noach: „Deze zal ons troosten over ons werk en over het zwoegen van onze handen, vanwege de aardbodem die door JHWH vervloekt is” (Gen. 5:21).

In één van de hoofdstukken schrijft dogmaticus Henk van de Belt (VU) dat de hoge ouderdom van de kosmos niet in strijd is met de heilshistorische volgorde in de Bijbel. Paul is het daarmee niet eens en mist een serieuze poging om de geslachtsregisters in het licht van de vermeende hoge ouderdom te herinterpreteren.

Welke consequenties hebben verder de zondvloed en de spraakverwarring voor de mensheid? Paul: „Helaas blijft de doordenking hiervan buiten beschouwing.”

Bovendien, als het idee van theïstische evolutie klopt; wanneer heeft God dan gesproken, vraagt Paul zich af. „Genesis 1 noemt dit goddelijke spreken herhaaldelijk. De directe gevolgen waren het ontstaan van de kosmos, de planten, de dieren en de mensen. Als alles geleidelijk ontstond in de loop van miljarden en miljoenen jaren, wanneer heeft God dan gesproken? Daarom de vraag: wat betekent het in de genoemde bijbelgedeelten dat God aan het woord is? De meeste bijbellezers vatten dit letterlijk op. Wie komt met herinterpretatie van passages, zal deze belangrijke kwestie niet buiten beschouwing mogen laten.”

Paul maakt zich zorgen over de erkenning van het Schriftgezag in de bundel. „Waarom wordt zo gemakkelijk afgeweken van de orthodoxe inspiratieleer?” De alternatieven voor een nieuwe uitleg van de eerste hoofdstukken van Genesis zijn volgens hem „fragmentair, grotendeels speculatief en hermeneutisch niet consistent.”

Uitgever Pieter Rouwendal van Uitgeverij Brevier maakt de boekentafel gereed. beeld Eran Oppenheimer

„Voorouder was aapachtige”

Enkele citaten uit het boek ”En God zag dat het goed was”:

„De vraag is of het waar is dat mensen en apen een gemeenschappelijke voorouder hebben. En de stand van zaken in de biologie op dit moment wijst er heel sterk op dat dit inderdaad zo is.”

(Jeroen de Ridder, VU)

„Achter de tekst van Genesis liggen de eeuwen der eeuwen van het ontzagwekkende proces van hoe het universum geworden is, zoals de wetenschap dat poogt te traceren.”

(Eric Peels, TUA Apeldoorn)

„Neem ze (de scheppingteksten, BvdD) niet te letterlijk en te materieel, maar lees ze zoals ze zijn bedoeld: als veelkleurige omschrijvingen van het mysterie van de schepping. Dit mysterie wordt niet allereerst ontrafeld en geanalyseerd, maar het wordt bezongen.”

(Stefan Paas, VU en TUK Kampen)

„Tegen de student die vraagt wat hij moet met de overtuigende argumenten voor een oude aarde en gemeenschappelijke afstamming, zou ik zeggen dat ik als theoloog accepteer dat dit de natuurwetenschappelijke consensus is, maar dat ik me ertegen verzet als een natuurwetenschapper pretendeert het hele verhaal te leveren over wie wij mensen zijn en hoe wij zijn geworden.”

(Arnold Huijgen, TUA Apeldoorn)

„Het zou voorstelbaar zijn dat christenen die het evolutiemodel aanvaarden zouden pleiten voor een buiten-wetenschappelijke erkenning van de ziel. Bij de onderzochte vertegenwoordigers van theïstisch evolutionisme is dat in ieder geval niet gebeurd, omdat zij de ziel niet alleen buiten de wetenschap houden, maar ook buiten de theologie.”

(Wim van Vlastuin, VU en Hersteld Hervormd Seminarium)