Troost en verdriet in stille kamers

beeld Anton Dommerholt
2

Mensen willen graag zo lang mogelijk zelfstandig blijven, het idee vasthouden dat ze hun eigen leven besturen. Dat dit idee in hoge mate betrekkelijk is, zegt niets over de realiteit ervan.

Als op een dag een streep door dat idee gezet wordt en allerlei medische onderzoeken uitwijzen dat kanker je leven bedreigt, wordt alles ineens anders. Dan is die onafhankelijkheid passé en ben je een van de velen die opgaan in de wittejassenwereld.

Sander de Hosson is zo’n man in witte jas. Hij werkt als longarts in het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen. Vanaf het begin van zijn loopbaan schrijft hij blogs en columns over zijn werk. Een deel ervan is gebundeld in ”Slotcouplet. Ervaringen van een longarts”.

Boeiend zijn de verhalen, ik lees ze ademloos. En daarna een tweede keer. De Hosson heeft vaak te maken met longkanker, de nietsontziende moordenaar die van de 100 patiënten er slechts 15 in leven laat. De waarheid van de spreuk ”Geneeskunde is soms genezen, vaak verlichten, altijd troosten” ziet hij dagelijks in de praktijk. Hij heeft geleerd om nooit te zeggen: „Het valt wel mee”, want dat doet het meestal niet.

Voor ogen houdt hij dan de uitspraak van de Britse Cicely Saunders, die aan de wieg staat van de hospicebeweging en palliatieve zorg: „Leven toevoegen aan de dagen, niet dagen aan het leven.” Een uitspraak die iedereen op een papiertje moet schrijven en ergens in het zicht moet hangen om erover na te denken.

Je leeft als lezer mee met de man die 32 jaar oud is en bij wie de kanker genadeloos voortwoekert. Alles wordt uit de kast gehaald om ervoor te zorgen dat hij nog kan trouwen voordat hij voorgoed zijn ogen sluit. En met die hoogbejaarde man die in eenzaamheid moet sterven; hoewel de werktijd van de verpleegkundige erop zit, besluit ze bij hem te blijven en houdt ze zijn hand vast totdat hij er niet meer is. En met iemand die niet thuis kan sterven omdat de CIZ-indicatie ontbreekt. Maar dankzij het kokende bloed van de arts mag ze wet en regel overtreden.

Als hij een buitengewoon vasthoudende vrouw ontmoet, schrijft De Hosson de mooie zin: „Als moed een voornaam heeft, draagt hij de hare.”

De arts dwingt respect af. Hij vindt dat de maatschappij zich te veel richt op de ziekte, terwijl de zieke met veel vragen en spanning zit. Antwoorden heeft hij ook niet, aandacht en zorg wel.

Mensen stellen hem vaak de vraag: Hoe houd je het vol? De verhalen geven het antwoord. Mensen op het sterfbed kijken terug op hun leven en evalueren dat; hij leert daar zo veel van dat hij vindt dat zijn werk een zeldzame schoonheid bevat.

De Hosson legt zijn witte jas af als zijn eigen moeder sterft. Hij is dan zoon in plaats van haar arts. Heel mooi en integer legt hij haar laatste uren vast. Zo herkenbaar voor wie vergelijkbare laatste uren heeft meegemaakt. Uren die je niet wilde meemaken en die je toch zo dierbaar zijn. Die in je geheugen gegrift staan. De wereld van het ziekenhuis is er vaak een van stille kamers en gesloten deuren. De Hosson zet die deuren open en laat de wereld van dilemma’s, van verdriet, maar ook van liefde en troost zien.

De Hosson ziet de mens als maatstaf voor zijn zorg. De mens beslist of hij het lijden beëindigt en open vertelt hij over de grote impact van die handeling op zijn leven. Beslist die mens dat hij verder wil, al is de situatie hopeloos, dan gaat hij daarin ook mee. Gelovigen zoeken verder dan de mening van een mens, maar dat neemt niet weg dat De Hosson menselijkheid en inlevingsvermogen laat zien waar iedereen veel van kan leren. Protocollen zijn er voor de mens, laat hij zien, niet andersom. Dit boek hoort op de stapel vakantieboeken. Tijd om na te denken.

Boekgegevens

Slotcouplet. Ervaringen van een longarts, Sander de Hosson; uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam, 2018; ISBN 978 90 295 2395 0; 215 blz.; € 18,99.