Schrijven, het is net inkleuren, vindt Hans Mijnders

Hans Mijnders op zijn werkplek. beeld Sjaak Verboom
4

Een kop koffie, een broodje of een bolus erbij – en zijn trouwe, oude laptop, die inmiddels aan de hoeken met lijm is gerepareerd. Prettige bijkomstigheid van het apparaat: er zit geen internet op. Zodat Hans Mijnders ongestoord kan werken aan zijn jeugdboeken. Zeker als hij verblijft in zijn stacaravan in Ouddorp.

Zijn werkkamer netjes? Hans Mijnders moet grijnzen als hij het compliment hoort. „Jij hebt de foto gezien. Daarop lijkt het heel wat, maar in het echt valt het tegen, hoor. Kom maar mee.”

De werkplek van de jeugdboekenauteur ligt op de benedenverdieping van zijn woning in het centrum van Ridderkerk. Het huis, een bovenmeesterswoning, hoort bij de naastgelegen Rehobothschool. „Als ik stop met mijn werk, moeten we eruit”, beseft Mijnders. „Heel erg vind ik het niet. Sinds de Jumbo hiertegenover zit, is het zo druk geworden.”

De muren rond het bureau zijn van boven tot onder behangen met boekomslagen. Ook ”Je bent mijn vader niet”, dat dit najaar verschijnt, heeft een plek. De enorme gele letters trekken de aandacht naar zich toe. Rechts ervan hangen ingelijste kunstwerken die horen bij de EigenWijsPrijs, een christelijke kinderjuryprijs die Mijnders zes keer won. Het speelgoed her en der laat zien dat Hans en zijn vrouw Marlene ook een carrière als grootouders hebben.

Schuin achter het bureau leunt een bruinleren aktetas tegen de muur („gaat mee op schoolbezoek”). Even ernaast een rode koffer. „Die staat het halve jaar daar gereed”, zegt Mijnders. Het weekend na het interview reist hij af naar zijn stacaravan in Ouddorp – en er zullen nog meer weekend- en weektrips die kant op volgen.

De laptop, waar hij zo aan gehecht is, staat op het bureau. Een oudje. Scheurtjes in de hoek van „het deksel” zijn gelijmd. „Een IBM is het. Dacht ik. Ja, hier staat het. Ik ben nu al bang dat hij een keer kapotgaat. De toetsen zijn zo fijn. Ze liggen hoger dan bij andere laptops. En hij heeft geen internet hè.”

In de krant. beeld Sjaak Verboom

Waar heeft u de meeste zinnen ingetypt, hier of in de stacaravan in Ouddorp?

„Voor elk boek maak ik eerst een opzet, met een samenvatting van elk hoofdstuk. Dat deel doe ik altijd thuis, dat kan ook gewoon op een avond. Maar uitwerken –het schrijfwerk– doe ik voor een groot deel op zaterdagen en in vakanties. Dit jaar is dat tijdens de eerste weken van de zomervakantie vanuit huis. Ook in de kerstvakantie schrijf ik graag. Verder doe ik veel in Ouddorp. Vanaf half maart tot eind oktober kunnen we op de camping terecht.”

Eerst een duinwandeling, dan een speciaal muziekje op om in de stemming te komen?

„O nee, ik ben niet zo van de rituelen. Ik hou helemaal niet van de cultus rond boeken schrijven. „De hoofdpersoon neemt mijn verhaal over”, zoiets. Doe normaal, denk ik dan. Ik heb gewoon een planning. Heel simpel. Meestal: maandag hoofdstuk 1, dinsdag hoofdstuk 2. De plotopbouw ligt er al en mijn redacteur heeft er dan al naar gekeken. Eigenlijk moet ik de kleurplaat alleen nog inkleuren.

Vroeger werkte ik zonder schrijfplan. Ik had dan soms geen idee waar hoofdstuk 3 over zou gaan. Dat klinkt spannend en verrassend, maar nee, dat was het niet. Je kwam er soms achter dat je dingen deed die botsten met wat je eerder schreef.”

Wat is leuker: de kleurplaat maken of hem inkleuren?

„Toch het inkleuren. De eerste bladzijde, daar doe ik altijd mijn stinkende best op. Dat is de binnenkomer. En de cliffhangers aan het einde van elk hoofdstuk, die zijn ook belangrijk.”

Terug naar Ouddorp. Geen bijzondere rituelen dus. Wat wel?

„Ik ben geen lange slaper en ik zit dus rustig om 8 uur ’s morgens onder een boom te typen. Heerlijk. Dan haal ik tussendoor een krantje en een bolus of een broodje, drink een kop koffie. Ik wil op zo’n dag wel mijn target halen. Er moet wel iets heel dringends tussenkomen, onverwachts bezoek bijvoorbeeld, voor ik daarvan afwijk.

En ik ga niet de hele dag door, dat is niks joh. Je wilt ook weer afstand nemen. Dat lukt me goed. Als ik ’s middags een wandeling maak is het echt niet zo dat ik het verhaal nog in mijn hoofd heb. Ik stop ook pas als ik weet hoe ik verder ga. Als ik zou zijn vastgelopen, dan zou het tijdens een strandwandeling wel in mijn hoofd zitten.”

Als... dan, zegt u. Klinkt niet alsof het u vaak overkomt.

„Nee, dat gebeurt niet zo vaak, nee.”

Jaren geleden maakte u deel uit van een schrijversgroepje. Welke rol speelt die groep?

„Ons schrijfkwartet. Bram Kasse, Bert Wiersema, Roland Kalkman en ik. Jaren geleden werd ik ervoor gevraagd, ik weet niet meer door wie. Helaas komen we al een paar jaar niet meer bij elkaar. De dochter van Bram heeft een grote hartoperatie gehad, de dochter van Bert (Klarine Sikkema, MO) heeft een aantal jaar gevochten tegen kanker en is overleden. Tegenwoordig mailen of appen we elkaar af en toe een vraag, zoals: Hoe vind je dit omslag? Maar hopelijk komen de kwartetbijeenkomsten, die we altijd twee keer per jaar bij een van ons thuis hadden, weer terug. Essentieel voor het schrijven zijn ze niet, maar ik mis ze wel. Schrijven is best een eenzaam gebeuren.”

Schoolklassen. beeld Sjaak Verboom

Is schrijven iets waarin u soms iets van afhankelijkheid van God ervaart?

Na een korte stilte: „Ik ben niet zo van de hoogdravende woorden. Het feit dat ik dit talent gekregen heb, daar ben ik God dankbaar voor. Ik ben blij dat ik het mag gebruiken, ook om kinderen tussen de regels door iets mee te geven. Liefde tot God en –wat in mijn boeken sterker tot uiting komt– liefde tot elkaar, de afgeleide van het grote gebod.”

Bent u een schrijver die keuzes rond het werk in gebed brengt?

„Nee, absoluut niet. Ik weet dat ik in al mijn werk afhankelijk ben van de zegen van God. Aan het begin van de dag vraag ik hier ook om. Verder is het, hoop ik, een levenshouding. Het is niet zo dat ik voor specifieke keuzes in het schrijfproces om wijsheid vraag. Als ik dat zou doen, voelt het zo gekunsteld. Zo zit Hans Mijnders niet in elkaar.”

Het schrijfproces van uw nieuwste boek, ”Op z’n kop”, was anders dan anders. Omdat het grotendeels waargebeurd is.

„Qua voorwerk heeft het boek me enorm veel tijd gekost. Het begon twee jaar geleden. David Dullens, 42 jaar, belde me op. Dertig jaar eerder zat hij bij me in de klas. Hij vertelde dat hij op zijn 28e een ongeluk had gehad. „Wil jij er een boek over schrijven?” Nee, antwoordde ik. Want ik schrijf geen jeugdboek over een volwassene.

Hij kwam toch bij me, met allerlei krantenknipsels over zichzelf. Het eerste wat hij deed was een wekker op een halfuur zetten. Om zich eraan te herinneren dat het dan genoeg voor hem was – hij had hersenletsel als gevolg van het ongeval. David had alles al uitgedacht: zijn artsen had hij toestemming gevraagd om hun naam te gebruiken, hij had bedacht dat de hoofdpersoon niet op een motor zou rijden maar op een scooter, en dat het ongeval niet op de Van Brienenoordbrug zou gebeuren, maar op een viaduct.

Na mijn eerste ”nee” werd ik toch enthousiast. En nu ben ik enorm trots op het boek. David heeft er zelfs het AD mee gehaald. Een primeur voor een boek van uitgeverij Den Hertog, begreep ik.”

Zou u zo’n soort boek, gebaseerd op iemands leven, nog een keer willen schrijven?

Mijnders aarzelt. „Het verhaal zou bij me moeten passen. Pas was ik bij een jongen op bezoek die zijn levensverhaal in eigen beheer had uitgegeven. Hij wilde mij wat vragen. Dus ik voelde ’m al aankomen. Dan ga ik op de rem trappen. Maar ik realiseer me ook: bij David voelde het voor mij eerst ook als ”nee”.”

Heeft Hans Mijnders, na jaren schrijverschap, zijn eigen stem gevonden?

„Ik denk het wel. Na al die jaren is er een publiek dat mijn boeken helemaal niks vindt. En er is een publiek dat ongezien Hans Mijnders koopt. Kopers verwachten, zeker in mijn boeken voor twaalfplussers, een realistisch hoofdthema en een bepaalde stijl. Literatuur schrijf ik niet; ik zou dat ook niet kunnen. Toen ik ruim tien jaar geleden ”Mijn vriend Samuel” van Janne IJmker las, zei ik: zoiets wil ik ook schrijven. Maar mijn redacteur van toen zei: „Dat moet jij niet doen.”

Ik ben er nu helemaal van af. Het staat er niet, maar het staat er wel – op die manier schrijven, wat ik bij sommige literatuur zie, is niet mijn ding. Na zo’n twintig jaar weet je wat je kunt. Pas hoorde ik nog: gastjes die niet graag lezen pakken jouw boeken. Ik heb een bepaalde stijl gevonden en daar ben ik blij mee.”

Hans Mijnders op zijn werkplek. beeld Sjaak Verboom

Hans Mijnders

Hans Mijnders (Rhoon, 1958) kwam op zijn vierde in Ridderkerk terecht. In 1988 volgde hij zijn vader op als directeur van de Rehobothschool – en dat is hij nu nog steeds. In de jaren ervoor haalde hij zijn diploma aan pedagogische academie De Driestar in Gouda.

Mijnders debuteerde in 1999 als kinderboekenauteur met ”Schuld”. Inmiddels heeft hij 44 boeken op zijn naam staan, die afwisselend bij de uitgeverijen Den Hertog en Columbus verschijnen. Zijn jongste boek, ”Op z’n kop”, is gebaseerd op het verhaal van een oud-leerling die een ernstig ongeval overleefde.

Mijnders is getrouwd met Marlene en heeft drie kinderen: Diana, Nico en Marlies. Ook is hij opa van twee kleinzoons, Sep (bijna 5) en Mats (2). Een derde kleinkind is op komst.

Hij is verbonden aan de hervormde Singelkerk in zijn woonplaats, waar hij ook ouderling is.

---

serie Schrijverschap

In een vierdelige serie interviews vertellen schrijvers en dichters over hun vak. Over twee weken deel 3: romanschrijfster Els Florijn.