Protest tegen verval van cultuur en beschaving

Jacob Burckhardt (1818-1897) was een Zwitsers cultuur- en kunsthistoricus. Portret van Jacob Burckhardt uit 1892. beed Wikimedia
2

De Zwitserse historicus Jacob Burckhardt was pessimistisch over de Europese beschaving. Tirannieke massa’s en staten bedreigden de menselijke vrijheid en kunst en cultuur.

De Zwitserse kunst- en cultuurhistoricus Jacob Burckhardt (1818-1897) was hoogleraar aan de universiteit van Bazel en schreef meerdere klassieke werken, waarvan ”Die Kultur der Renaissance in Italien” (1860), ”Griechische Kulturgeschichte” (1898-1902) en ”Weltgeschichtlichte Betrachtungen” (1905) de bekendste zijn. Het laatstgenoemde boek is voor het eerst in het Nederlands vertaald en van een nabeschouwing voorzien door Peter Claessens.

Burckhardt was afkomstig uit de elite van Bazel. Hij studeerde theologie, maar raakte zijn geloof kwijt. Hij volgde in Berlijn colleges van de beroemde historicus Leopold Ranke, wiens opvolger hij kon worden. Maar hij voelde zich in de liberale stad niet thuis en keerde terug naar zijn geboortestad, waar hij tot 1893 hoogleraar geschiedenis en kunstgeschiedenis zou zijn.

Burckhardt werd wereldberoemd door zijn boek ”Die Kultur der Renaissance in Italien” (1860), waarin hij de renaissance typeerde als het geboortekaartje van de moderne mens: „De mens wordt een geestelijk individu en erkent zichzelf als zodanig.” Volgens biograaf Rob Hartmans deelde Burckhardt met de Verlichting dat het individu autonoom en soeverein is, of althans behoort te zijn. Tegelijkertijd hekelde de Zwitserse historicus een blind geloof in de vooruitgang en de wetenschap, waardoor de niet-rationele eigenschappen van de mens als instinct en creativiteit werden gesmoord. Burckhardt verlangde intens naar schoonheid en harmonie, een reactie op de vervreemding van het individu in een gefragmentariseerde samenleving.

Zijn boek ”Wereldhistorische beschouwingen” behelsde volgens Werner Kaegi, die een zevendelige biografie van 4275 (!) bladzijden over Burckhardt schreef, een pessimistische theorie van de conflicten tussen staat, kerk en cultuur. Burckhardt was ervan doordrongen dat sinds de Franse Revolutie bijna voortdurend van crises gesproken kon worden. Het in vrijheid scheppende individu werd vermalen tussen enerzijds de krachten van absolutisme en gecentraliseerde natiestaat en anderzijds de tirannie van de massa’s.

Brulmassa

Burckhardt was ervan overtuigd dat de traditionele vooronderstellingen van de Europese cultuur ondergraafd werden door nieuwe idealen van mondigheid en vrijheid, maar, zo stelde hij, wie „getuige is geweest van de slavernij onder leiding van de brulmassa die men volk noemt”, praat anders over vrijheid. Burckhardt leefde in het tijdperk van imperialistische machtsaanspraken van natiestaten en constateerde dat de cultuur- en traditieloze massa’s de beschaving onder de voet dreigden te lopen.

Burckhardts levensbeschouwing is een mengsel van conservatieve en haast fatalistische beschouwingen over de geschiedenis. Hij had een liefde voor de spontane, vrije vormen van het middeleeuwse staatsleven. Hij schrijft positief over religie, die voor hem zelfs „een voorwaarde is voor elke vorm van cultuur die de naam waardig is.” „De religies zijn de uitdrukking van de eeuwige, onverwoestbare metafysische behoefte die besloten ligt in de menselijke natuur.”

Burckhardt is allergisch voor macht en daarom staat hij kritisch tegenover de christelijke kerk, die zich volgens hem steeds meer met de staat en haar macht vereenzelvigd heeft, „door haar bezits- en machtsstructuur duizendvoudig met de wereld vervlochten.” Dat is ronduit vreemd, want het christendom is „misschien wel van alle religies het minste geëigend om een verbintenis met de staat aan te gaan.”

Met Constantijn de Grote ging het volgens hem al fout. Elk contact met het wereldse heeft een sterke weerslag op de religie, zo waarschuwt Burckhardt. „Inherent aan de uiterlijke machtsontplooiing is onvermijdelijk een innerlijk verval, alleen al omdat heel andere lieden aan het hoofd van de kerk komen te staan dan in de tijd dat de kerk verdrukt werd.” Wie herkent deze –haast doperse– kritiek niet?

De kerk zet vervolgens alle machtsmiddelen in om de eenheid te bewaren en ontwikkelt op grond van haar eenheid steeds meer machtsmiddelen. De kerk wordt een „politiemacht” en is erop gericht „om tegen elke prijs zieltjes te redden.” „Ze praktiseert tolerantie slechts waar en voor zover dat absoluut noodzakelijk is. Ze vervolgt elke voor haar bedenkelijke geestelijke aspiratie met de uiterste middelen.”

Maar vergis je niet, schrijft Burckhardt, de staat ziet de kerk uiteindelijk als een blok aan het been. „Zo conservatief als de kerk ook moge zijn, de staat beschouwt haar op de lange duur niet meer als een steunpilaar maar als een probleem.”

Heel negatief schrijft Burckhardt over de islam als een „vreselijk rigide religie” met haar „jammerlijke Koran”, die elke politieke ontwikkeling en rechtsontwikkeling in de weg staat. Moslims kenmerken zich door „een duivelse hoogmoed tegenover de niet-islamitische inwoners” en hun heilige oorlog kan ieder moment hervat worden. Actuele woorden al in 1905!

Burckhardt had weinig met kerk en christendom als historische grootheden en zocht een vorm van transcendentie, een zoeken naar de „oergrond” van alle dingen, die sterk poëtisch gekleurd is. De geschiedenis typeerde hij als „een wondermooi proces van verpoppingen en nieuwe, eeuwig nieuwe onthullingen van de geest.” De hoogste bestemming van de geschiedenis van de mensheid is gelegen in de „ontwikkeling van de geest tot vrijheid.”

De Zwitsere historicus zegt in zijn nu vertaalde boek onthullende dingen, zoals over „de geestelijke ziekte van onze tijd: de originaliteit.” „Ze komt, aan de zijde van het publiek, tegemoet aan de behoefte die vermoeide mensen hebben aan emotie.” „Originaliteit moet je hébben, niet ‘eropuit zijn’.”

Burckhardt stelt dat de talentvolste kunstenaars en dichters „de wereld van het geld” worden ingejaagd, wat daarin tot uiting komt dat ze „tegemoetkomen aan de heersende ‘cultuur’ van de tijd en bijdragen aan de huidige beeldcultuur.” Dus toen al een beeldcultuur! Kunstenaars, dichters en filosofen moeten volgens hem daarentegen „het innerlijk gehalte van de tijd en de wereld in ideële zin aanschouwelijk maken en dit als een onvergankelijke getuigenis aan komende generaties doorgeven.”

Testament

Het boek ”Wereldhistorische beschouwingen” is terecht beschouwd als het intiemste, origineelste werk van Burckhardt, als zijn geestelijke testament. Hij gaat daarin de confrontatie met de crisis in de westerse beschaving openlijk aan. Hij lijkt daarbij op Johan Huizinga. Deze noemde Burckhardt „de wijste geest der negentiende eeuw.”

Burckhardts inzet voor vrijheid en culturele verheffing is actueel in de huidige tijd van voortschrijdende fragmentatie van wetenschap en cultuur, van rusteloze hyperdynamiek van economie en geld, gebrek aan historisch besef. Al mis je de heilzame invloed van de religie ook buíten de sfeer van kunst en cultuur, zijn diagnose van de westerse beschaving is er niet minder actueel om.

Boekgegevens

Wereldhistorische beschouwingen, Jacob Burckhardt; uitg. Boom; 252 blz.; € 37,50