Predikanten in de frontlinie

70 jaar bevrijding
Ds. J. Overduin. beeld RD RD
5

Achtentwintig Nederlandse predikanten overleden tijdens de Tweede Wereldoorlog in een concentratiekamp. Negen predikanten werden doodgeschoten. Tientallen anderen overleefden, maar zaten wel achter de tralies tijdens de geestelijke strijd tussen christendom en nazi-ideologie.

Ds. J. Overduin, ds. J. Kars, ds. B. J. Ader. Het zijn bekende namen, maar ook tal van andere predikanten moesten hun dappere optreden met gevangenschap of zelfs de dood bekopen. Sommigen zaten zelfs zonder aanwijsbare oorzaak langdurig opgesloten.

Bij anderen was er sprake van een misverstand: ds. D. A. van den Bosch wilde met de publicatie ”666. Het getal eens menschen” waarschuwen tégen het gebruik van het getal 666 als aanduiding van Hitler, maar de Duitsers gaven er een negatievere uitleg aan. Het wilde er bij hen ook niet in dat ds. P. Deddens met zijn toespraak over de ”Militia Christi” helemaal niet de bedoeling had een anti-Duitse jongerenbeweging te stichten.

Uit de vergetelheid

De gereformeerde emeritus predikant dr. J. Ridderbos promoveerde in 1994 op de houding van gereformeerden tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 2011 was hij een van de auteurs van het boek ”Van kansel tot barak. Gevangen Nederlandse predikanten en de cultuur van herinnering”. Bij de verschijning van dat laatste boek zei hij in deze krant: „Er is een soort onrechtvaardigheid in herinneringen. Over de ene predikant die gevangenzat, wordt na jaren nog gesproken, de ander is vergeten. Wij hopen met dit boek onbekende predikanten aan de vergetelheid te ontrukken en hun zo recht te doen.”

Daar gaat hij in zijn nieuwe boek mee verder. Nauwkeurig brengt hij in kaart wie wanneer waar opgesloten zat en dat al dan niet overleefde. Die gegevens worden afgewisseld met sprekende citaten over de beschreven voorgangers. Zij verhieven hun stem of deden in het diepste geheim ondergronds werk, uit vaderlandsliefde, uit naastenliefde en omdat ze het geestelijke gevaar van de nationaalsocialistische ideologie doorzagen.

Velen zagen dat gevaar, maar niet elke voorganger nam evenveel risico. Er werden ongezouten uitdrukkingen gebezigd –„De duivel loopt op straat in Duits uniform”–, en dat vond niet iedereen verstandig. Ook ‘kleinere’ verzetsdaden konden overigens grote gevolgen hebben.

„In feite moest iedere predikant in Nederland vijf jaar lang, iedere week opnieuw, bedenken wat hij op de kansel en elders kon zeggen en waarover hij liever zwijgen wilde”, noteert de auteur. Volgens hem was gebed voor de koningin toegestaan zolang er maar niet voor haar terugkeer werd gebeden.

Vaak was er verraad in het spel, ook binnen de kerkelijke gemeenten. De oorlog knaagde aan de moraal. Zo liet de organist van hervormd Enschede –een overtuigd NSB’er– zijn schoonzoon vanaf de orgelbank stenografische verslagen van de preken maken, die vervolgens naar de Sicherheitsdienst (SD) gingen. Dat had tot gevolg dat de predikanten van de gemeente in 1942 alle vier gevangenzaten.

Luchtkoker

Ridderbos stelt vast dat 90 maal een gereformeerde predikant en 111 maal een hervormde predikant werd gearresteerd en in een gevangenis of kamp terechtkwam. Van de gereformeerde predikanten werd 10 procent in hechtenis genomen, van de hervormde ruim 7 procent. „Van de Nederlandse bevolking is zeker niet 7 procent, laat staan 10 procent gearresteerd. We kunnen dus met recht spreken over ”predikanten in de frontlinie””, constateert Ridderbos. Zijn eigen grootvader –hoogleraar in Kampen– zat langdurig ondergedoken en zijn oom bood Joden onderdak.

Eenmaal gevangen, bleven veel predikanten hun roeping trouw. Ze waren ook in de cel zielzorger. In de kampen gingen ze voor in geheime kerkdiensten, en in een Utrechtse gevangenis klonken paaspreken door de luchtkoker, zodat medegevangenen in andere cellen ze konden horen. Zo’n preek hoefde niet lang te zijn; ds. J. Versteegt bemoedigde medegedetineerden in de kampen Amersfoort en Vught met de woorden: „God leeft!”

Niet onverschillig

Vanaf de kansels klonken protesten tegen de Jodenvervolging. „De in sommige kringen als sjibbolet beleden onverschilligheid van de Nederlandse kerken voor het lot der Joden blijkt dus een misverstand (of erger) te zijn”, stelt dr. Ridderbos.

De Duitsers vreesden voor de invloed van de predikanten op hun gemeente. „Al die Cocksen in Vries zijn door hem verpest; hij is de geestelijke vader van het verzet in die gemeente”, schreeuwde een Nederlandse handlanger van de SD over de gereformeerde ds. W. J. van Enk, die later in Neuengamme omkwam.

De lengte van de straf was vaak niet te voorspellen: psychologische oorlogsvoering die deel uitmaakte van het systeem van de bezetter.

Overduinen

Ridderbos noemt alle protestantse predikers die om het leven kwamen. Zo waren onder de maar liefst 1034 voorgangers die in Kamp Dachau omkwamen ook zeventien Nederlanders.

De foutieve vermelding in ”Van kansel tot barak” dat ds. J. Kars tot de Gereformeerde Gemeenten behoorde, wordt in dit boek eenmaal herhaald; op andere pagina’s zijn wel de juiste gegevens vermeld.

De auteur noemt veel beschikbare literatuur. Dat had hier en daar kunnen worden uitgebreid, zoals bij ds. J. van Rootselaar (”Memoires”) en ds. P. H. Wolfert (”In ’t bangst gevaar”). Levensbeschrijvingen van ds. Jac. van Dijk en ds. J. Kars zijn in aantocht.

Ds. J. Overduin werd bekend door zijn boek ”Hel en hemel van Dachau”, maar zijn broer ds. L. Overduin maakte veel meer mee, beklemtoont de auteur: „In vergelijking met wat Leendert tijdens de bezetting deed en doorstond, vallen de wederwaardigheden van Koos in het niet. Ter vergoelijking kan gezegd worden, dat Leendert na de bevrijding zijn uiterste best heeft gedaan om al zijn sporen te verwijderen.” Ds. L. Overduin wilde zich niet op zijn verzetswerk laten voorstaan. Hij was „een grote vis, zelfs een veel grotere vis dan de bezetter ooit ontdekt heeft.”

Omgekomen

Predikanten die een aantal uren of een enkele dag werden vastgehouden –zoals ds. J. B. Bel van de gereformeerde gemeente in Dirksland– opnoemen, daar is geen beginnen aan. Dr. Ridderbos richt zich op de predikanten die langduriger gevangenzaten, maar beperkt zich niet tot hen. Hij noemt ook de voorgangers die op een andere wijze door het oorlogsgeweld omkwamen. Daarbij worden ook predikanten uit kleinere kerken vermeld, zoals de christelijke gereformeerde ds. W. Ramaker en ds. M. Heikoop, die tot de Gereformeerde Gemeenten behoorde.

Opmerkelijk was de doodsoorzaak van dr. H. A. Boeser –overreden door een Engelse tank– en ds. W. J. Val, die in 1943 overleed, „ziek van de spanningen en zorgen die hij kreeg bij het redden van Joden.”

„Laat er niet te veel sneuvelen met de haven in zicht”, bad de gereformeerde ds. N. J. A. van Exel in Oosterbeek. Nog diezelfde dag begon de slag om Arnhem, en vier dagen later kwam de predikant om. Hij liet zijn vrouw met twee kleine kinderen achter.

Ds. J. T. Meesters werd enkele weken voordat hij in het huwelijk zou treden, opgepakt. Zijn verloofde en zijn gemeente zagen hem nooit meer terug.


Boekgegevens

Predikanten in de frontlinie. De gevolgen van deelname aan het (kerkelijk) verzet in Nederland tijdens WO II. Jan Ridderbos, met medewerking van G. C. Hovingh; deel 26 in serie Ad Chartas; uitg. Vuurbaak, Barneveld, 2015; ISBN 978 90 5560 504 0; 254 blz.; € 22,50.