Mannen van stavast

Veel schrijvers van oorlogsboeken werden na de oorlog dapper. K. Norel was het al in de bezettingsjaren. Aan den lijve ondervond hij wat een anti-Duitse houding met zich meebracht. Wellicht verklaart dat het succes van zijn ”Engelandvaarders”, ”Vliegers in het vuur” en andere mannen van stavast.

Op vrijdagavond vond bevindelijk Alblasserdam elkaar bij Koos van Dam, kenner van ’het oude volk’. In de kelders van zijn dijkhuis, tussen rivier en griend, was de boekenvoorraad van ”Neem en Lees” ondergebracht: duizenden bruingekafte werken, voornamelijk theologische geschriften van onverdachte inhoud. Alles wat naar het neocalvinistische riekte, zuiverde de selectiecommissie van de interkerkelijke bibliotheek uit.

Bij de romans en de jeugdboeken werd de maatlat minder strikt gehanteerd. Als je ook dan de gereformeerden liet vallen, hield je vrijwel niets over. Wekelijks haalden we een nieuwe voorraad leesvoer van hun hand op. Pennenvruchten van Piet Prins, Anne de Vries, P. de Zeeuw. En vanzelfsprekend K. Norel. Die had zich met zijn ”Mannen van Sliedrecht” (1950) in de Alblasserwaard onsterfelijk gemaakt. Wij gaven de voorkeur aan zijn oorlogsboeken: ”Engelandvaarders”, ”Varen en vechten”, ”Vliegers in het vuur”. Goed voor vele uren wegdromen, een blos op het gezicht, soms een onderdrukte snik.

Kantoorbediende

Op veertienjarige leeftijd verloor Klaas Norel, de oudste zoon van veehouder Okke Norel en boerendochter Jacoba Dijkstra, zijn vader. Noodgedwongen nam hij afscheid van de ulo, om als kantoorbediende bij te gaan dragen aan het gezindsbudget. Na het vervullen van de militaire dienstplicht maakte hij de overstap naar de journalistiek. Het was P. J. Risseeuw die hem aanspoorde een jongensboek te schrijven. Dat resulteerde in ”Land in zicht” (1935), over de drooglegging van de Zuiderzee. Het eerste probeersel, dat Norel voor 350 gulden aan Callenbach verkocht, was meteen een succes. Volgens criticus R. Baccarne ”omdat er toen al in stak, wat veel contemporaine jeugdboekjes misten en wat Norel altijd als gave heeft bezeten: spanning, avontuur en beschrijving van een wereld waar jongens (geen meisjes!) van toen alleen van konden dromen: leven op het water.” Beide elementen, avontuur en water, zouden de rode draad in zijn oeuvre worden. Avonturisme was de auteur zelf niet vreemd. In de barre winter van 1929 reed hij als eerste met een auto over het ijs van Enkhuizen naar Urk. Echtgenote Jantje kon die karaktertrek van haar man maar matig waarderen, onthulde zoon Okke Norel in een interview met het familieblad Terdege. ”Moeder heeft vaak in ongerustheid gezeten. Dan kwam hij ’s avonds gewoon niet thuis en vergat hij om even te bellen.”

Vaderlandsliefde

Ook de vaderlandsliefde van zijn geesteskinderen kende Norel van binnen uit. Vanwege zijn protest tegen de Duitse censuur werd hij in juni 1940 door de bezetter gevangengenomen. Hij was daarmee de eerste Nederlandse journalist die achter de tralies ging. Na drie weken kwam hij weer vrij. Zijn houding was niet veranderd. De onverzettelijke Norel weigerde lid te worden van de Kultuurkamer en begaf zich in de illegaliteit. Toen de grond onder zijn voeten hem te heet werd, dook hij onder en werd redacteur voor het illegale Trouw. Op zijn onderduikadres schreef hij gestaag verder aan ”Engelandvaarders”, met als hoofdrolspeler de Urker Evert Gnodde. In zijn optimisme ging de schrijver er aanvankelijk van uit dat met het afronden van ”Vogelvrij” ook de bezetting aan een eind zou zijn. De werkelijkheid was anders. Pas na het schrijven van ”Vuur en vlam” en ”Verzet en victorie” was het gedaan met de mof. De positieve keerzijde was dat hij nu meteen met een trilogie voor de dag kon komen. Het werk zou tientallen drukken beleven. Na de bevrijding promoveerde Norel tot chef binnenland van het inmiddels bovengrondse Trouw, dat in vrij Nederland als regulier dagblad voortging. Zijn aard verloochende hij ook op die post niet. Hij was een van de weinigen die hoofdredacteur Bruins Slot durfden tegenspreken. Naast zijn hectische baan bleef Norel boeken schrijven, een combinatie die hem letterlijk een maagkwaal bezorgde. In 1946 hakte hij de knoop door en ging zich fulltime aan het schrijverschap wijden. Jaarlijks leverde hij twee tot zeven manuscripten af. In totaal zou hij ruim 130 titels publiceren. Tijdens zijn leven gingen al 3 miljoen boeken van Norel over de toonbank. Een aantal titels wordt tot de dag van vandaag herdrukt. Met Duitse, Engelse en Franse vertalingen passeerde hij de grenzen van eigen land. Van ”Stand by, boys!” verscheen zelfs een Spaanse vertaling. Het kan verkeren: belangstelling voor Norel in het land van Alva!

Techniek

De hoofdpersonen in de boeken van Norel zijn dapper, intelligent en rechtvaardig, hun belagers dom, laf of sluw. Die indeling van de samenleving bevordert de overzichtelijkheid, maar doet niet geheel recht aan de realiteit. Was psychologie niet zijn sterkste kant, op technisch gebied had de broodschrijver het nodige in huis. Meer dan eens onderbrak hij in zijn boeken de loop van het verhaal voor een technische uiteenzetting over een oorlogsbodem, de visserij, een jachtvliegtuig. Het komt de leesbaarheid niet altijd ten goede. Als grootverbruikers van ”Neem en Lees” hadden we een eenvoudige oplossing voor het euvel. De bewuste passages gewoon overslaan. Zijn technische kennis deed Norel vooral in de praktijk op. Op alle mogelijke vaartuigen, van onderzeeërs tot baggerschepen, trok hij over oceanen en rivieren. Door zijn reizen ontmoette hij tal van hooggeplaatsten uit krijgsmacht en burgermaatschappij. Toch kwamen de hoofdpersonen voor zijn boeken tot het eind van zijn leven uit het gewone volk. Zijn hart lag bij de wroeter, de zeebonk, de oliestoker. Zonder uitzondering rechtschapen, ondernemend en gelovig. Stoere christenstrijders, voorwaarts trekkend met de vaste overtuiging: ”Al zweept de storm ons voort, wij hebben ’s Vaders Zoon aan boord.” Hoewel de meeste boeken van Norel rond het thema strijd en water cirkelen, sloeg hij niet aldoor op dat aambeeld. In ”Blanke Flip en zwarte Fanny” stelde hij het rassenvraagstuk aan de orde. In ”Dispereert niet” beschreef hij het leven van Jan Pieterszoon Coen.

Ouderling

Inspiratie of niet, met een ijzeren discipline produceerde hij in zijn werkkamer manuscript na manuscript. Ook op kerkelijk gebied was de auteur actief. In de gereformeerde kerk van Amstelveen werd hij meerdere keren tot ouderling verkozen. Hij redigeerde daar onder meer een deel van het kerkblad, waaraan hij een inhoudelijke bijdrage leverde met zijn ”Krabbels van een ouderling”, ”Krabbels van een kerklid” en ”Notities van een Amstellander”. De verschuivingen binnen de Gereformeerde Kerken synodaal beoordeelde Norel positief. De betekenis van de gereformeerde belijdenis ging hij relativeren. Opvallend voorbeeld daarvan is het slot van zijn boek ”De monnik van Wittenberg” (1967), geschreven ter gelegenheid van de 450e herdenkingsdag van de Reformatie. ”Na vierhonderd jaar zal echter paus Johannes XXIII de hand uitsteken waarop Maarten Luther heeft gewacht, en dan zullen beiden, katholieken en protestanten, door dichter bij het Woord van God te leven, gaan streven naar hervorming zonder breuk.” ”Jammer, dit vergif in de staart”, was de reactie van het Gereformeerd Gezinsblad. ”Hier kiest Norel voor de valse oecumene. We kunnen het niet anders zien.” Zelf zag de schrijver dat een slag anders. Van valse oecumene was naar zijn mening geen sprake. Hij wenste te schrijven ”voor alle kinderen van Nederland, van welke gezindheid of geloofsovertuiging ook.” In later jaren was hij een pleitbezorger voor samenwerking van rooms en protestants Nederland binnen het CDA. Okke Norel bleef zich zijn vader vooral herinneren als een ongedurige, wat kortaangebonden man, die tegelijk een warm hart voor kinderen bezat. De man die hem op zondagavond voorlas uit ”In de Soete Suikerbol” van meesterverteller W. G. van de Hulst. En die hem zo nodig op milde wijze corrigeerde. ”Ik was een jaar of zestien toen ik met een aantal vrienden was wezen biljarten. In een café nogal liefst. Vader zei er niets van, maar een paar weken later kwam er opeens een biljarttafel die hij gekocht had. Voortaan konden we het thuis doen. Hij was een echte vrind-vader.”