Kinderen in oorlogstijd

Alexijevitsj beschrijft hoe kinderen veiligheid en warmte misten in de Tweede Wereldoorlog. beeld iStock
3

Afgelopen februari verstuurde Unicef een vrijwel blanco persbericht. Daarmee wilde de kinderrechtenorganisatie van de VN duidelijk maken dat er geen woorden zijn voor het leed dat kinderen in de oorlog in Syrië ondergaan. Recent verschenen twee boeken waarin wel een poging wordt gedaan kinderleed in een oorlog te verwoorden.

In beide boeken gaat het om ervaringen van kinderen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Luise Jacobs beschrijft haar eigen oorlogservaringen in ”Wij hebben Mutti nooit meer gezien”. Het gezin Jacobs woont al generaties in het Duitse plaatsje Heiligenhaus en voelt zich daar thuis. Vader is Joods, moeder niet. Al in 1936 wordt vader opgepakt, weer vrijgelaten en uiteindelijk naar een concentratiekamp gebracht. Moeder is zeker na een angstige Kristallnacht niet gerust op de toekomst voor haar half-Joodse kinderen in Duitsland. Daarom geeft zij hen in 1939 mee met een kindertransport naar Nederland. Luise is dan 6 jaar oud, Leni 5 jaar. Hun 8-jarige broer Klaus wordt al snel van hen gescheiden en elders opgevangen. Omdat ”Mutti” niet Joods is, kan ze nog een enkele keer naar Nederland reizen en de meisjes bezoeken. Luise en Leni komen terecht in een rooms-katholiek internaat, waar de leiding besluit hen niet als Joods te zien. Het is hun redding.

Wanneer Luise tijdens een papierencontrole haar documenten wat beter bekijkt, ziet ze tot haar schrik dat haar vader als overleden staat genoteerd. Na de oorlog duurt het lang voordat ze iets van haar moeder hoort en tot een weerzien komt het nooit meer: haar moeder is hiervoor te ziek en ze overlijdt. Het verhaal van Luise is waargebeurd en achter de feiten gaat veel kinderleed schuil. Doordat Jacobs een heel jong meisje was toen de oorlog uitbrak en ze dit verhaal pas nu opschrijft, is ze veel van haar gevoelens vergeten. Het verhaal blijft daardoor soms wat op afstand.

Weinig knuffelen

In ”De laatste getuigen. Kinderen in de Tweede Wereldoorlog” staat niet één compleet verhaal centraal, maar zijn het juist heel veel korte herinneringen van verschillende kinderen. Stuk voor stuk zijn het aangrijpende verhalen die door de Russische auteur Svetlana Alexijevitsj in sobere zinnen zijn weergegeven en daardoor heel dichtbij komen. Eerder ontving zij de Nobelprijs voor literatuur voor onder meer dit werk. Alexijevitsj interviewde tussen 1978 en 2004 ruim honderd Russen die de oorlog als kind van dichtbij meemaakten. Zo is er de 4-jarige Marina Karjano. In de oorlog verliest ze haar vader en moeder en vergeet ze haar achternaam. Omdat ze in Moskou op het Noordstation in de hal wordt gevonden, heet ze voortaan Marina Noord. Honger is niet het ergste, zo vertelt ze: „ik wou vooral dat iemand me knuffelde. Er werd weinig geknuffeld, iedereen treurde. Ik loop over straat… en voor me wandelt een moeder met kinderen. Ze pakt er eentje op, draagt hem een poosje, zet hem weer neer. Ze gaat op een bankje zitten en neemt de kleinste op haar schoot. Ik blijf lang staan kijken en stap dan op ze af: „Mag ik ook bij u op schoot? Toe nou, alstublieft.”” Het keert in zo veel verhalen terug: veranderende leefomstandigheden deren niet zo erg, maar het missen van de warme veiligheid van een vader en een moeder die van je houden is voor kinderen traumatisch.

Alexijevitsj motiveert nergens haar keuze van de fragmenten en de vragen die ze gesteld heeft. Ergens halverwege het boek is wel duidelijk dat ze aan iedereen heeft gevraagd welke herinneringen de geïnterviewden hebben aan het begin van de oorlog. De vele slachtpartijen die door kinderen vaak verplicht gezien moesten worden zijn onbeschrijflijk. De auteur kiest er bewust voor om geen uitleg te geven over de historische feiten en gevechtshandelingen: het gaat haar om de manier waarop kinderen de oorlog ervaren hebben, niet om de gebeurtenissen op zich.

Onbegrepen leed

Kinderen herinneren zich vaak bij alle verschrikkingen de kleine details: de pop die niet meer mee kon tijdens de vlucht, het kuikentje dat tussen de lichamen van de ouders rondliep, de hond die tijdens het eindeloze beleg van Leningrad door de 10-jarige Galina in huis wordt gesmokkeld om te worden opgegeten: „Het spijt me lieve hond, het spijt me. Ik wou zo graag leven.” Het zijn ook juist die details die doen beseffen waarom voor kinderen een oorlog nog zo veel erger is: het oorlogsleed overkomt hen onverwacht zonder dat ze kunnen begrijpen waarom, waartoe en wat dan. Vasja Saoeltsjenko, 8 jaar wanneer de oorlog uitbreekt, verwoordt treffend wat een oorlog voor kinderlevens betekent: „Mensen die niet hebben gezien hoe de ene mens de andere doodt, zijn totaal andere mensen..”

Beide boeken geven, hoe verschillend ook, de impact van oorlog op een kinderleven weer. Daarmee wordt het leed van de kinderen in Syrië nu, hoe anders de oorlogsomstandigheden ook mogen zijn, iets meer invoelbaar. Veiligheid en ouderliefde, het blijven immers universele behoeften van ieder kind in iedere tijd.

Betsy Biemond-Boer

Boekgegevens

De laatste getuigen. Kinderen in de Tweede Wereldoorlog, Svetlana Alexijevitsj; uitg. De Bezige Bij, Amsterdam, 2018; ISBN 978 90 234 4887 7; 303 blz.; € 29,99; Wij hebben Mutti nooit meer gezien. Kinderen vluchtten voor de nazi’s, Luise Jacobs; uitg. Verbum, Hilversum, 2018; ISBN 978 90 742 7481 4; 109 blz.; € 14,95.