Internet werd niet wat we ervan verwachtten. En nu?

De Filipijnse regering zet een ‘toetsenbordleger’ in om haar gewelddadige antidrugsbeleid in een gunstig daglicht te stellen beeld ANP
2

Is de mens nog de baas over internet of is het verworden tot een onbeheersbaar en dataverslindend gedrocht? Voor iedereen die nog denkt dat het web een vrijplaats is voor debat en democratie is Jan Kuitenbrouwers ”Datadictatuur” een zinnige wake-upcall.

Kort en bondig schetst publicist Kuitenbrouwer in zijn pamflet de ontwikkelingen van het web sinds het ARPA-net uit 1962. Hij benoemt nogal wat keerzijden, zaken die aanvankelijk door de tegencultuur werden omarmd maar uiteindelijk totaal verkeerd uitpakten. Zo legt hij de vinger bij de schier grenzeloze macht van grote technologiebedrijven als Facebook en Google. En waar de anonimiteit waarmee mensen zich op internet bewegen in het begin nog kon worden gezien als een bevrijdende en democratiserende macht, draagt diezelfde anonimiteitscultuur nu bij aan de grootste uitwassen: racisme, haattaal, nepnieuws, onlinepesten, kinderporno.

Kruimels

Overal op internet laten wij als gebruikers kruimels met informatie achter. De meesten van ons denken daar niet over na. Het is nu eenmaal zo. Maar, stelt Kuitenbrouwer terecht, „het ís zo omdat die kruimels geld waard zijn.” In plaats van een plek voor levendig debat is internet niet alleen een nare echokamer waarin iedereen zich binnen zijn eigen werkelijkheid beweegt, maar ook een medium voor grootschalige commerciële beïnvloeding geworden.

Kuitenbrouwers boekje verschijnt in de serie ”Nieuw Licht”, een filosofische pamfletreeks waarin een hedendaagse denker een vraag voorgelegd krijgt die een klassieke filosoof al eerder, in een andere tijd en context, probeerde te beantwoorden. Kuitenbrouwer legt de vraag hoe we van internet een beschaafde plek kunnen maken langs het gedachtegoed van de Duitse filosoof Jürgen Habermas (1929).

Die beschreef in 1962, in hetzelfde jaar waarin met ARPA-net de voorloper van internet zoals we dat nu kennen werd ontwikkeld, het ideaal van de machtsvrije ruimte. Habermas zag destijds met leedwezen aan hoe die publieke sfeer, waarin het debat alle ruimte had moeten krijgen, gekoloniseerd werd door een commerciële mediacultuur en het politiek-economische krachtenveld.

Habermas noemt dat ”commodificatie”, het tot handelswaar maken van immateriële goederen. Precies wat nu, onder invloed van grote technologiebedrijven, gebeurt. Habermas zag het in zijn tijd als grote bedreiging van het publieke domein. „De baas van het koffiehuis zit aan de knoppen en bepaalt wie gehoord wordt en wie niet.”

Manipulatie

Kuitenbrouwer vraagt zich af of internet intussen niet is verworden tot een systeem dat nog vele malen machtiger is dan waar Habermas voor waarschuwde. Met de voorbeelden die hij vervolgens beschrijft, geeft hij zelf het antwoord. Zo noemt hij dat in 2017 onlinemanipulatie en desinformatie een rol speelden bij achttien verschillende verkiezingen. Dat kiezers online op grote schaal beïnvloed worden, is sinds het schandaal met Cambridge Analytica geen nieuws meer. Dat gebeurt ook op andere fronten. De Filipijnse regering zet een ‘toetsenbordleger’ in om haar gewelddadige antidrugsbeleid in een gunstig daglicht te stellen, de regering-Erdogan probeert in Turkije met soortgelijke middelen tegenstanders van het regime in diskrediet te brengen.

Genoeg bewijs om hard te maken dat er van het „wereldwijde digitale koffiehuis”, waar het rationeel-kritische debat alle ruimte krijgt, weinig is terechtgekomen. Dat de manier waarop we elkaar online behandelen ook in het analoge leven zijn weerslag heeft, is een al even zorgelijke constatering.

Of er nog wat aan te doen valt? Kuitenbrouwer pleit voor regulering. Europa loopt daarbij voorop, maar het echte werk moet in de Verenigde Staten gebeuren. En dat zal, zo sombert de auteur, in het huidige politieke klimaat nog een hele dobber worden.

Boekgegevens

Datadictatuur. Hoe de mens het internet de baas blijft, Jan Kuitenbrouwer; uitg. Prometheus; 120 blz.; € 12,50