Gelijke kansen geven ongelijke uitkomsten

De kloof die ontstaan is tussen het volk en de elite, wordt nog versterkt door de emancipatie van de vrouw. beeld ANP
2

”Waarom ongelijkheid zo slecht nog niet is” zo luidt de ondertitel van het jongste boek van dr. Kees Vuyk, ”De feilbare mens”. Daarin sluit hij aan bij zijn in 2017 verschenen boek ”Oude en nieuwe ongelijkheid”, dat bekroond werd met de Socrateswisselbeker. Tot voor kort was Vuyk als universitair hoofddocent verbonden aan de Universiteit Utrecht.

De kloof tussen hoger en lager opgeleiden doortrekt de moderne samenleving, zo constateert de auteur. Dat is echter een onoplosbaar probleem. Het onderwijs selecteert op intelligentie en die is van nature in de samenleving ongelijk verdeeld. Terwijl je afkomst tegenwoordig minder van belang is voor de toewijzing van allerlei gewilde posities, is je opleiding dat des te meer.

In het verleden hadden velen die weliswaar intelligent waren, door de financiële omstandigheden thuis maar een beperkte schoolopleiding genoten. Een klein deel van hen wist desondanks een hoge positie te bereiken. Men kwam hen tegen in de Tweede Kamer. Zij stonden dicht bij de gewone man.

Braindrain

Sindsdien zijn de opleidingsmogelijkheden aanzienlijk toegenomen. Dat gebeurde onder het motto van sociale verheffing. Maar daardoor heeft er wel een braindrain van het volk plaatsgevonden. Een beleid van gelijke kansen leidt nu eenmaal tot ongelijke uitkomsten. Die ongelijkheid is niet verkeerd, zo beklemtoont Vuyk, maar is gewoon een feit.

De kloof die nu ontstaan is tussen het volk en de elite, wordt nog versterkt door de emancipatie van de vrouw. Hoogopgeleiden trouwen in het overgrote deel van de gevallen met elkaar. Bij gebrek aan hoger opgeleide vrouwen was dat vroeger anders. Daardoor was er toen automatisch meer contact tussen de verschillende sociale milieus.

De huidige elite laat zich volgens de auteur leiden door het denkschema van de verlichting. De ramp van de verlichting is echter een abstract individualisme dat alle gemeenschapsleven ondergraaft. Lager opgeleiden voelen zich niet meer erkend en zoeken hun heil bij populistische entrepreneurs, zoals hij ze noemt.

Gelijkheidsdenken

Het gelijkheidsdenken van onze tijd voert Vuyk terug tot twee nogal uiteenlopende bronnen: het christendom en de 18e-eeuwse filosoof Rousseau. Voor de eerste lijn beroept hij zich op de Britse historicus Larry Siedentop. Die stelde dat in het christendom niet de collectiviteit maar het individu vooropstaat. Hij beroept zich daarbij met name op Galaten 3:28: „Daarin is noch Jood noch Griek, daarin is noch dienstbare noch vrije, daarin is geen man en vrouw, want gij allen zijt één in Christus Jezus.”

Op die manier trekt men echter de geestelijke verhoudingen binnen Gods Kerk lichtvaardig door naar de maatschappij. Dat kan natuurlijk niet zomaar. Bij zo’n aanpak hoeft het ons niet te verbazen dat het christendom en Rousseau in één adem worden genoemd.

De auteur bewandelt in zijn boek nogal wat zijpaden. Dat is soms vermoeiend. Zo wordt een hoofdstuk gewijd aan snel en traag denken. Een ander hoofdstuk gaat over de mens als een dier dat verliefd kan worden.

Interessant is nog wel het hoofdstuk over de nalatenschap van het christendom. De erosie van het zondebesef beschouwt Vuyk als een verlies. De nieuwe christelijkheid kenmerkt zich door een optimistische mensbeschouwing. „Er is zonde, maar er is toch vooral verlossing.”

Verder wijst hij erop dat in de westerse geschiedenis de kerk zo’n beetje de enige plek is geweest waar alle mensen van hoog tot laag elkaar lijfelijk tegenkwamen.

De conclusie van het boek is dat mensen kwetsbare wezens zijn. Ten diepste hebben ze elkaar nodig. Als ze elkaar weten te compenseren voor wat ze zelf niet kunnen, is ongelijkheid niet slecht. Daar zit wel wat in.

Boekgegevens

De feilbare mens. Waarom ongelijkheid zo slecht nog niet is, Kees Vuyk; uitg. Ten Have; 224 blz.; € 22,99