Elke dag twee vondelingen in Amsterdam

Het voormalige Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht in Amsterdam.  beeld Wikimedia
2

Twee eeuwen geleden werden in het verarmde Amsterdam jaarlijks honderden kinderen te vondeling gelegd. Ze werden opgenomen in het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht. Over hen gaat het boek ”Vondelingen. Het Aalmoezeniersweeshuis van Amsterdam 1780-1830”.

Op dit moment worden er in Nederland gemiddeld één à twee kinderen per jaar te vondeling gelegd. Als het gebeurt, is het (voorpagina)nieuws. Vanaf 2006 tot heden zijn er achttien vondelingen gevonden. De laatste was in juni 2018. In een van de negen vondelingenkamers van stichting Beschermde Wieg werd toen een vondeling achtergelaten.

Eigenlijk is te vondeling leggen van kinderen verboden in Nederland en dat was het vroeger ook, maar het gebeurde veel. Rond 1800 werden alleen al in Amsterdam jaarlijks honderden kinderen te vondeling gelegd, schrijft Nanda Geuzebroek in ”Vondelingen. Het Aalmoezeniersweeshuis van Amsterdam 1780-1830”.

Zij deed in de jaren tachtig onderzoek naar haar voorouders. Daarbij stuitte ze op een voorouder die te vondeling was gelegd: Abel Weetniet. Veel moeders legden hun kind met een briefje te vondeling, maar de moeder van Abel deed dat niet. Daarom bedacht de weeshuisregent deze toepasselijke naam. Deze vondst zette de schrijfster ertoe aan om, na haar pensionering, onderzoek naar Amsterdamse vondelingen te gaan doen.

In de in het boek beschreven periode aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw waren de economische omstandigheden in Amsterdam sterk verslechterd. De stad was in verval en velen konden geen droog brood meer verdienen, zeker als de man ervandoor ging of als er ziekte was. Dat was de belangrijkste reden dat er zo veel kinderen te vondeling werden gelegd.

Strafbaar

Dieptepunt was het jaar 1817, met 769 vondelingen, maar ook in de jaren ervoor en erna waren er jaarlijks honderden. Omdat te vondeling leggen strafbaar was, deden de moeders het stiekem, maar wel in de omgeving van het Aalmoezeniersweeshuis, opdat het kind spoedig gevonden zou worden. De meeste vondelingen lagen op de Prinsengracht, voor de poorten van het Aalmoezeniersweeshuis of op de stoep bij een van de buren of overburen.

Als de moeder kon lezen, voegde ze er vaak een briefje bij, zoals van dat jongetje van drie jaar dat op 3 oktober 1791 om halfnegen ’s avonds gevonden werd op de stoep van de koekenbakker aan de Prinsengracht. „Dit kind wordt uit armoede ter vondeling gezet, alzo de moeder niet langer in staat was voor al haar kinderen het brood te winnen, wijl het tegen de winter gaat, en de tijden slecht zijn, doch zo spoedig als mogelijk, zo de moeder in staat is, zal dit kind afgehaald worden, hetzelve is in de gereformeerde kerk gedoopt, met de naam Johannes, en uit brave, eerlijke echt, doch slechte vader en ongelukkige moeder.”

Dit briefje is illustratief. Het ging meestal om alleenstaande moeders die het water aan de lippen stond. Bovendien waren ze vaak van plan om het kind later terug te halen, waarom ze dan ook een kopie van de brief maakten of er een stukje uit scheurden dat zou blijken te passen. Johannes zou zijn moeder echter nooit terugzien.

In het jaar 1780 telde het Aalmoezeniersweeshuis 1365 kinderen, in 1817 waren het er 4277. Veel kinderen haalden de volwassenheid niet. Van de 352 in 1792 opgenomen vondelingen waren er 22 jaar later nog maar 71 overgebleven. Driekwart was voortijdig gestorven, veelal in de eerste levensfase.

In de loop van de negentiende eeuw nam het aantal vondelingen zienderogen af. In 1825 lagen er nog 254 zuigelingen op straat, in 1825 was dat een vijfde minder. Halverwege de negentiende eeuw ging het om slechts enkele vondelingen per jaar en rond 1900 betrof het hetzelfde aantal als tegenwoordig, landelijk niet meer dan een of twee per jaar.

Het boek, met vele schitterende illustraties, geeft inzicht in het vondelingenprobleem in een tijd van economische neergang en het laat de christelijke barmhartigheid zien. De vondelingen werden opgenomen, hoe vol het gebouw ook was. Er werd alles aan gedaan om de veelal zwakke kinderen in leven te houden en hun ook geestelijk voedsel te geven. Elke avond zegden de kinderen hun avondgebed op en elke zondag gingen ze met z’n allen naar de kerk.

Boekgegevens

Vondelingen. Het Aalmoezeniersweeshuis van Amsterdam 1780-1830, Nanda Geuzebroek; uitg. Verloren; 199 blz.; € 25,00