Dr. A. van de Beek ziet zijn theologische schrijverij als pastoraat op schrift

Op de werkplek. Sjaak Verboom
4

Hij schrijft over biologie én theologie. „In de biologie vind ik het onderzoek ontzettend leuk; het schrijven ervaar ik als corvee. Bij de theologie geeft het hele proces me vreugde.” Met zijn boeken over weerbarstige thema’s als God en het lijden wil dr. A. van de Beek mensen helpen te doordenken wat het christelijk geloof betekent. „Pastoraat op schrift.”

Hij laat in zijn huis in Veenendaal zien waar hij werkt. Het eerste kamertje is zijn biologisch vertrek. Op de grond stapels kranten waartussen planten liggen te drogen. Briefjes geven aan wat wat is. „Een hele administratie.” Langs de wanden kasten met theologische boeken, waaronder commentaren van Calvijn. „Biologische naslagwerken heb ik niet veel. Het meeste staat op internet.”

De ruimte erachter is de theologische kamer van dr. A. van de Beek (72). Een eenvoudig bureau bij het raam, waar hij op z’n laptop boeken schrijft. En zo nu en dan een preek maakt. „Eigenlijk ga ik sinds m’n 70e niet meer voor. Nu is de beurt aan jongere predikanten. Maar ik val weleens in, zoals nu in de vakantie.”

Lezingen gaf de emeritus hoogleraar de achterliggende tien jaar nauwelijks. Zijn vrouw Nel bleek in 2008 longfibrose te hebben. „Volgens de artsen zou ze nog drie jaar te leven hebben.” Na tien jaar ziekte ging het in 2017 echter ineens beter met haar. „Een wonder.”

Ondanks de ziekte van zijn vrouw, publiceerde dr. Van de Beek de achterliggende jaren de nodige belangwekkende boeken. In de serie ”Spreken over God” verschenen grote studies over de kerk, de schepping en het Vaderschap van God. „Schrijven kun je thuis doen”, zegt hij nuchter.

Voelt u zich een schrijver?

„Ik ben in de eerste plaats theoloog. Maar wat ik gevonden heb, wil ik doorgeven via mijn boeken. Ik schrijf op een zorgvuldige wijze. Noemde iemand mijn stijl parlant? Ja, dat herken ik wel. Ik probeer levendig en vloeiend te schrijven. Maar zonder allerlei ruis. Aan huisje-boompje-beestje en spreektaal heb ik een hekel.”

Wanneer is de schrijverij bij u begonnen?

„Het eerste boek na mijn dissertatie was in 1984 ”Waarom?” Over lijden, schuld en het godsbestuur. Dat was een uitwerking van colleges over Gods voorzienigheid aan de universiteit van Leiden. Ik was daar in 1981 kerkelijk hoogleraar geworden en voelde me ook geroepen om via boeken mensen te helpen doordenken wat het geloof betekent. Met het thema God en het lijden was ik direct in mijn eerste gemeente geconfronteerd. Nog vóór ik in Lexmond was bevestigd, moest ik op bezoek bij ouders van wie het kindje van negen maanden net was overleden. Dat was mijn kennismaking met het pastoraat... Het eerste wat ik als 23-jarige predikant moest doen, was een kind begraven. Terwijl ik nog nooit bij een begrafenis was geweest! Vervolgens kreeg ik ook met andere sterfgevallen van jongeren te maken. Ik vond het zwaar, al die ellende. Het heeft m’n theologisch denken getekend.”

En dat wilde u delen met het grote publiek.

„Er waren de achterliggende 35 jaar drie dingen die me motiveerden om te publiceren. Ik wilde allereerst de inhoud van het geloof delen, mensen laten zien waar het in de Schrift om gaat: gebed, lofprijzing, verwondering. Noem het verkondiging én pastoraat op schrift. Daarnaast was er de drang om het geloof te doordenken. Het belijden roept vragen op. De christologie: hoe zit het daarmee? De triniteit: wat zeggen we daarmee? Als kerkelijk hoogleraar was ik voor universiteit én kerk werkzaam. Daarom heb ik nooit abstract kunnen theologiseren. Het derde wat me motiveerde, waren de ketterijen. Kerkvader Hilarius stelde dat je eigenlijk geen theologie moet bedrijven. We zijn geroepen om de gemeenschap met Christus te vieren. Maar, zei Hilarius, soms moet je je mond opendoen: als anderen verkeerde dingen over God zeggen, moet je dat weerleggen. Dat aspect, de ketters, is gaandeweg steeds sterker geworden. Vooral tijdens mijn periode aan de VU, vanaf 2000. Ik kwam in een internationaal netwerk terecht, waar heel andere discussies speelden dan aan de kerkelijke opleiding in Leiden.”

Welke ketterijen bedoelt u?

„Ik zie twee fronten. Aan de ene kant de wereldverbeteraars. De apostolaatstheologie in de Nederlandse Hervormde Kerk kom je ook tegen in de theologie van de Wereldraad van Kerken. Dan wordt het geloof een functie van de politiek. In Zuid-Afrika, waar ik vanaf 2001 elk jaar kom, zie je dat ook. Apartheid wordt als zonde beleden en vervolgens moeten wij een rechtvaardige samenleving gaan vormgeven. Maar de kern van de Bijbel is niet de vraag hoe wij de samenleving vormgeven. Het gaat om de gemeenschap met Christus en het eeuwige leven. Daar draait het om, ook in de liturgie.

Het andere front is het subjectivisme. Nog ingrijpender. Aan de ene kant het bevindelijke subjectivisme, waarbij mensen altijd maar bezig zijn met de vraag of ze wel deel hebben aan het heil. Aan de andere kant het evangelicalisme. Dat is zó oppervlakkig. Lucht en leegte. God is lief en fijn en aardig. Dat is Marcion, met zijn tegenstelling tussen de God van het oordeel en de God van liefde. Het evangelicalisme overheerst de kerk, wereldwijd. En ik zie het dichtbij ook gebeuren. De psalmen worden ingeruild voor flutliedjes. Juist de liedcultuur zegt veel over de geloofsbeleving.”

U voelde zich dus gedrongen om te schrijven. Soms dikke pillen. Hoe gaat u te werk?

„Ik begin altijd met de exegese, het concordantiewerk, de Bijbelse theologie. Vervolgens lees ik de kerkvaders: uit het Westen tot en met Augustinus, uit het Oosten tot en met Johannes Damascenus. In het Engels. Als ik wil citeren, ga ik naar het Latijn of Grieks. Heel reformatorisch dus: terug naar de Schrift en de Vroege Kerk. Lees Calvijn over de eenheid van de kerk. Dat is gewoon een parafrase van wat Cyprianus daarover schrijft.

Na de Schrift en de kerkvaders kijk ik wat Calvijn over een thema zegt. Soms ook Luther of Zwingli. Met de oude schrijvers uit de 17e en de 18e eeuw heb ik niet zoveel. Tegen wroeten in de ziel heb ik een soort aversie. Hoewel, als ik weleens een stukje van een van hen lees, is het soms best aardig.

En dan ga ik, vanuit de Schrift en de bronnen, schrijven. De discussie met vakgenoten komt later; dat kan in de voetnoten. Dat doe ik aan het eind.”

Wat zijn voor u gunstige omstandigheden voor de schrijverij?

„Ik werk het fijnst thuis, achter mijn bureau, op de laptop. Liefst een aantal dagen achter elkaar, met een schone agenda; de mailbox even laten voor wat die is. Ik heb echt rust nodig. Die moet ik voorbereiden. Dus niet de avond ervoor nog een lezing geven. ’s Ochtends moet ik op gang komen. Maar als ik eenmaal bezig ben, zit de gang erin. Dan moet ik niet onderbroken worden, anders raak ik eruit. Het liefst schrijf ik zo in een paar dagen een heel hoofdstuk, als een doorlopend verhaal. Aus einem Guss, zoals de Duitsers zeggen.

Daarna wachten weer andere dingen. Een poosje later schrijf ik een volgend hoofdstuk. In drie jaar is dan een boek klaar.”

Reacties op uw publicaties, hoe gaat u daarmee om?

„Als mensen het niet met me eens zijn, doet me dat niet zoveel. Het raakt me meer als mensen het wel mooi vinden wat je schrijft, maar zich er vervolgens geen fluit van aantrekken. „Eigenlijk zou ik, maar...” Wat me echt raakt, is als mensen die het kunnen weten terechte feitelijke kritiek hebben. Een nieuwtestamenticus die stelt dat ik iets verkeerd gezien heb, bijvoorbeeld.”

U bent behalve theoloog ook bioloog. In beide vakgebieden publiceert u.

„Ik schrijf net zoveel biologische als theologische artikelen. Het is heel anders. Het onderzoek naar een onbekende plantensoort vind ik ontzettend leuk. Maar het schrijven voor een biologisch vaktijdschrift ervaar ik als corvee. Het moet in een bepaald format, in het Engels, formeel. Niet parlant, niet levendig. Bij een publicatie in de theologie geeft het hele proces me vreugde. Het onderzoek in de Schrift en bij de kerkvaders, maar juist ook het schrijven zelf. Alleen het lezen van hedendaagse auteurs vind ik een opgave. Het is zelden iets waar ik vrolijk van word. Ik heb er ook gewoon het geduld niet voor.”

U bent 72. Nog niet uitgeschreven?

„In Zuid-Afrika vroegen ze of ik mijn serie ”Spreken over God” wil terugbrengen tot een boek van 200 bladzijden. Daar ben ik mee bezig. In het Nederlands. Vervolgens moet er een goede vertaler voor het Engels worden gevonden. Wat ik verder nog wil, is schrijven voor een breder publiek. Om mensen te wapenen tegen oppervlakkigheid, bijvoorbeeld, of tegen verdriet dat vroeg of laat in hun leven komt.”

Dr. A. van de Beek

Dr. A. (Bram) van de Beek (1946) uit Veenendaal diende als predikant van de Nederlandse Hervormde Kerk tussen 1970 en 1981 de gemeenten van Lexmond, Vriezenveen en Raamsdonk. Van 1981 tot 2000 was hij kerkelijk hoogleraar dogmatiek aan de universiteit van Leiden. Van 2000 tot 2010 was hij hoogleraar symboliek aan de VU in Amsterdam. Als bijzonder hoogleraar is hij verbonden aan de universiteit van Stellenbosch (Zuid-Afrika).

Dr. Van de Beek promoveerde in 1974 in de biologie en in 1980 in de theologie. Zijn eerste boek na zijn dissertatie was ”Waarom?” (1984). Tussen 1998 en 2017 publiceerde hij de zesdelige serie ”Spreken over God”. Vorig jaar legde hij in het boekje ”Altijd dat kruis” uit waarom hij altijd weer bij Christus en Zijn kruis uitkomt.

Dr. Van de Beek is getrouwd met Nel de Bruijn; zij hebben drie kinderen: een dochter en twee zoons.

www.rd.nl/schrijverschap