De pijn van links antisemitisme

Bij de Neue Synagoge in Berlijn werd kort voor Grote Verzoendag een Syrische man opgepakt die met een mes in zijn hand op bewakers afsprong, terwijl hij ”Allahoe akbar” riep. beeld ANP
2

Op Grote Verzoendag werd een aanslag gepleegd op de synagoge in het Oost-Duitse Halle an der Saale. De dader was een extreemrechtse Duitser, gedreven door Jodenhaat. Een paar dagen eerder werd bij de Neue Synagoge in Berlijn een Syrische man opgepakt die met een mes in zijn hand op bewakers afsprong, terwijl hij ”Allahoe akbar” riep.

Zomaar twee recente voorbeelden die laten zien hoezeer antisemitisme in het huidige Europa weer brandend actueel is geworden en dat dit nu uit verschillende hoeken komt. Staat het bij de een in het teken van een rassenstrijd tussen het superieure ”witte ras” en het inferieure Joodse ”ras”, de ander keert zich tegen Joden vanuit islamistisch geïnspireerde haat tegen Israël. Hoe valt dit ingewikkelde verschijnsel goed te begrijpen?

In ”De eeuwige kop van Jood” doet de Vlaamse publicist Ludo Abicht daartoe een poging. Abicht is in het publieke debat bij de zuiderburen een bekende verschijning, iemand die een goede neus heeft voor brandend actuele maatschappelijke kwesties.

En dat is antisemitisme helaas weer. Abicht (1936) is een gewezen jezuïet, die zich inmiddels als „positief atheïst” presenteert en zich nadrukkelijk positioneert in de traditie van de verlichting met haar nadruk op universele mensenrechten. Politiek zit hij in de radicaal-linkse flank.

Essay

Het boek, waarvan de hoofdtitel nergens wordt toegelicht, beoogt –zoals de ondertitel zegt– ”een geschiedenis van het antisemitisme” te bieden. Nu is dat misschien wat te veel gezegd, omdat er weliswaar allerlei momenten uit de geschiedenis van de Jodenhaat naar boven worden gehaald, maar een alomvattend historisch verhaal ontbreekt.

Herhaaldelijk noemt de auteur zijn boek een „essay” en dat is inderdaad een betere betiteling: aan de hand van 22 vragen bespreekt Abicht de verschillende varianten van antisemitisme en licht hij de voornaamste anti-Joodse beelden kritisch toe. Gaandeweg ontwikkelt hij een eigen lijn, die duidelijk sterk geïnspireerd is door zijn politiek-ideologische opvattingen.

Jodenhaat

Abicht heeft een goed gevoel voor de juiste vragen. Ze gaan over lastige of omstreden aspecten die het thema van Jodenhaat raken: is de Jodenhaat het resultaat van het conflict tussen christenen en Joden? Nee, zo antwoordt hij, maar het kan er ook weer niet los van gezien worden. Was de tolerantie in middeleeuws islamitisch Spanje richting Joden en christenen realiteit of een sprookje? Vooral het laatste, hoewel het er voor Joden wel beter was dan in de rest van Europa. Welke rol heeft het conflict tussen Israël en de Palestijnen gespeeld in de heropflakkering van het antisemitisme na de Shoah? Een aanzienlijke.

Niet alle vragen resulteren in een duidelijk antwoord. Een vraag waar veel lezers snel naar zullen grijpen is die naar de definitie van antisemitisme, maar daar wordt vooral een hele lijst aan vrij willekeurig op internet gevonden definities achter elkaar geplaatst, zonder dat Abicht tot een eigen antwoord komt.

Dat is zonder meer een gemiste kans. Pas aan het einde van het boek wordt duidelijk dat hij „volmondig” de zogenaamde IHRA-werkdefinitie bijvalt: „Antisemitisme is een bepaald beeld van Joden dat zich kan uiten als haat tegen Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme worden gericht tegen Joden of niet-Joden en/of hun bezittingen, tegen instellingen van de Joodse Gemeenschap, en religieuze voorzieningen.”

Links

Het boek wordt het spannendst als Abicht dichter bij huis komt met de vraag of er „links antisemitisme” bestaat. Het antwoord daarop is een resoluut: „Neen.” Tegelijkertijd ontkent de auteur niet dat er onder de vlag van socialisme en links idealisme heel wat antisemitisme is geweest en nog steeds voorkomt. Hoe kan hij beide beweringen naast elkaar staande houden? Dat doet hij door te betogen dat iemand die echt goed links is, nooit antisemiet kan zijn, omdat het antisemitisme strijdig is met de internationale solidariteit die het socialisme moet kenmerken.

De gevolgtrekking die Abicht vervolgens maakt is dat iemand die zich antisemitisch uit, dus niet écht links kan zijn. Op deze manier houdt Abicht het marxisme zelf buiten schot, terwijl hij iedereen op het linkse erf die zich anti-Joods uit wel degelijk confronteert met hun abjecte gedachtegoed.

Oprechtheid

Het is de vraag of dit betoog na een grondige studie over hoe Joden en Jodendom in de funderende teksten van het vroege socialisme worden benaderd, staande kan blijven. Ondertussen tekent het wel Abichts intellectuele oprechtheid dat hij de zere plekken in zijn eigen ideologische stroming onverbloemd durft aan te wijzen. Het is met name hierin dat de betekenis van dit boek ligt: het roept Vlaamse, en andere Nederlandstalige, (radicaal-)linkse personen op ver weg te blijven bij ideeën over Joden als samenzweerders, kapitalisten en uitbuiters.

De nodige pagina’s steekt Abicht in een poging om antizionisme en antisemitisme te ontwarren. Hij stelt dat antizionisme weliswaar antisemitisch kán zijn, maar dat helemaal niet hoeft te zijn. Het is een weliswaar radicale maar niettemin legitieme politieke en ethische overtuiging dat de staat Israël er niet zou moeten zijn, omdat deze ten koste van de Palestijnse bevolking tot stand is gekomen. Hoewel Abicht er uiteindelijk niet in slaagt een glasheldere scheiding tussen beide begrippen tot stand te brengen, lijkt hij een grens te trekken bij het huidige bestaan van de staat. Alle kritiek op het beleid en de politiek van Israël is legitiem, maar wie het bestaansrecht van Israël in twijfel trekt, laadt bewust of onbewust de verdenking van antisemitisme op zich. Israël is immers een antwoord op het Europese antisemitisme. Wie het antwoord wegneemt, levert Joden weer aan het antisemitisme uit.

Op dit punt lijkt er enig licht te zitten tussen Abichts hoofdtekst en het nawoord van de hand van de eveneens Vlaamse Midden-Oostenspecialiste en -activiste Brigitte Herremans. Ook Herremans is duidelijk in haar afwijzing van het antisemitisme, dat ze als een probleem ziet voor de hele samenleving. Het grootste deel van haar tekst gaat echter over de vraag hoe legitieme kritiek op Israël geuit kan worden en hoe Israël en pro-Israëlgroepen dat gemakzuchtig wegzetten als antisemitisme. Dat ze weinig op heeft met het zionisme wordt al snel duidelijk: het ontneemt de niet-Joodse inwoners van Israël het recht op gelijkheid. De nuance van Abicht is bij Herremans goeddeels verdwenen.

Nuchtere stem

Ondertussen heb ik ”De eeuwige kop van Jood” vooral gelezen als een bijdrage aan het Vlaamse linkse en liberale debat, dat doorgaans gekenmerkt wordt door weinig kennis en dito begrip van Joden, Jodendom en Israël. Daarbinnen is Abicht een nuchtere stem, die de humanistische waarden van de verlichting hoog wil houden en zijn linkse medestanders oproept tot een inclusieve houding ten opzichte van Joden. Dat hij daarbij zelfkritiek niet uit de weg gaat, pleit voor zijn intellectuele statuur.

Boekgegevens

De eeuwige kop van Jood. Een geschiedenis van het antisemitisme, Ludo Abicht; uitg. Vrijdag; 248 blz.; € 19,95