Column (Christine Stam-van Gent): Distels en klaprozen

Christine Stam-van Gent. beeld RD, Anton Dommerholt

Na vijftien jaar huwelijk kan ik nog steeds vol bewondering naar mijn man staren. Het is zondagavond en hij heeft zich op de bank geïnstalleerd met vulpen en schrijfboek. Hij is ‘maar’ drie weken achter, zegt hij. Vervolgens diept hij die 21 voorbije levensdagen feilloos op uit zijn geheugen en tekent ze op in korte precieze zinnen. Zo gaat dit al jaren en ik verwonder mij zo buitenmate omdat ik zelf zo heel anders ben. De achterliggende tijd – dat is voor mij één groot korenveld met hier een klaproos en daar een distel. Waar hij zo’n veld per vierkante meter in kaart brengt, richt ik me op de klaprozen en distels en beschrijf die net zo lang tot al hun schoonheid en stekeligheid is vastgelegd en de wind mag meenemen wat rest. Je hebt zakelijke en je hebt emotionele dagboekschrijvers.

Mijn egoschrijverij kan me uit de slaap houden. Moet je zoiets niet tijdig ritueel verbranden? Jaloers kijk ik dan naar de indrukwekkende rij zwartlinnen boekjes (”dummies”) die openlijk in de studeerkamer staat, en die altijd geraadpleegd kan worden als er een bepaald feit boven tafel moet komen. Eens was ik benieuwd vanaf wanneer mijn naam zou voorkomen en opende de boeken uit onze studentenjaren. „Op het laatst alleen overgebleven met Chr. Dan geen haast.” Een beknopt zinnetje dat een complete bloem bevat. Hoe langer geleden, hoe meer die geurt.

Dagboeken – ze liggen bij mij altijd op de stapel. Als laatste de ‘diary’ van Andrew Bonar (1810-1892), Schots predikant. Bonar houdt het ook beknopt, maar is daarin heel kwetsbaar (al weet ik niet of hij dat woord hier zou herkennen). Hij registreert geesteloosheid bij zichzelf, maar ook momenten „within the veil.” Uren waarin hij met Christus verkeert als was er geen tijd, geen kerk en geen wereld meer. Wat opvalt, is dat bidden voor hem absoluut de hoogste prioriteit heeft. Hij noteert het dagelijks: nalatig geweest in het gebed. Of juist: vandaag drie uren kunnen nemen voor gebed. Of: een hele dag gevast en gebeden, vaak „in the woods.”

Aan het einde van zijn leven voelt Bonar zich onvruchtbaar en eenzaam. (Als je 150 jaar geleden een zwakke oude preekstem had, kwamen de mensen niet meer…) En toch, wat heeft hij veel nagelaten door juist dit soort dingen op te schrijven. Dagboeken voeden niet op, ze preken niet, ze strooien geen adviezen over je hoofd en toch zijn ze vaak pastoraler dan ooit. Zonder het zelf te beseffen, komen de schrijvers naast je zitten, worden je vriend, laten je weten dat je niet de enige bent.

Dat doet me gerust verder schrijven. God weet wie al die distels en klaprozen eenmaal tot zich nemen zal.