Bewust van talent en toch bescheiden

In welk opzicht zou de grote verteller Louwrens Penning ons anno 2003 ten voorbeeld kunnen zijn? Ik zie Pennings voorbeeldigheid in zijn betrokkenheid bij de wereld en in zijn onwankelbare overtuiging dat God hem verteltalenten had toevertrouwd waarmee hij opgewekt aan de slag moest.

Louwrens Penning (1854-1927) was nieuwsgierig en achtte de wereld zeer de moeite waard om gekend te worden. Hij leefde met hart en ziel. Dat gold ook voor zijn geloof. Penning geloofde rotsvast dat de Heilige Schrift Gods bedoeling met de wereld aan ieder mens openbaarde. Zijn vertellend werk was het verlengstuk van zijn geloof. Door zijn verhalen en romans getuigde Penning van Israël, van Christus, van Golgotha. Pennings Bijbel is bewaard gebleven. Voor in deze uitgave van de Statenvertaling heeft de schrijver op 21 oktober 1873 een gedicht van eigen hand geplakt dat de titel draagt ”Aan mijnen Bijbel” en dat begint met de regels:

O, schoone parel, dierbre schat!

Van fijner goud weerkaatst elk blad,

dan d’aard’ ons ooit kon geven!

Uw stem klinkt door het menschdom heen,

Gij spreekt van zaligheid en vreên,

van liefde, licht en leven.

De laatste regels van het gedicht luiden:

Dat boek schonk’t Gij ons, Isrels Heer,

die bloem daalde uit den hemel neer,

om ’t leven te verzoeten!

Heb dank! Heb dank! O groote God!

Het druppelt balsem in mijn lot,

’k zink juichend aan Uw voeten!

Vrome soberheid

Het leven van Louwrens Penning stond lange tijd in het teken van tegenslag en van vrome soberheid. Zijn vader was als landarbeider begonnen en pas op latere leeftijd predikant geworden. In 1862 wist vader Penning zich geroepen om, ondanks de achteruitgang in traktement, naar het Oost-Friese Bunde te verhuizen om daar predikant te worden. Louwrens Penning heeft in zijn autobiografie ”Uit mijn leven” hartverwarmende dingen over zijn vader geschreven. Deze overleed in 1869, waarna de jonge Louwrens als de oudste van vijf kinderen zijn steentje aan het levensonderhoud van het gezin moest bijdragen. Met de hondenkar bezorgde hij kruidenierswaren bij de klanten aan huis. In 1877 werd hij boekhouder van een houthandelaar en vanaf 1880 handelsreiziger in dienst van een graanfirma. Na zijn huwelijk met de dochter van een molenaar begon hij in het antirevolutionaire blad De Drie Provinciën voor het eerst te publiceren. Zijn voorkeur gold de streekgeschiedenis. Die gaf hij weer in de vorm van vervolgverhalen. Het zouden vingeroefeningen voor later blijken, voor het echte werk, de grote romans. De aanstoot daartoe kwam uit een historisch voorval waardoor zowel Pennings gevoeligheid als gelovig christen als zijn betrokkenheid bij het wel en wee van de wereld werd aangesproken: de zogenaamde Jameson-Raid van 1896 in het verre Zuid-Afrika. In ”Uit mijn leven” vertelt Penning dat nieuwjaarsdag 1896 een keerpunt in zijn leven vormde. Dat had met Zuid-Afrika te maken. Al vanaf 1880, toen de eerste Anglo-Boerenoorlog begon, voelde hij zich zeer nauw betrokken bij het wel en wee der Boeren in Zuid-Afrika, de afstammelingen van Nederlandse kolonisten die vanuit de Kaap het binnenland in getrokken ware n. Het moest een betrokkenheid op afstand blijven omdat de weduwe Penning het onverdraaglijk zou vinden wanneer na haar zoons Gerrit en Arie nu ook nog Louwrens naar Zuid-Afrika zou emigreren en daarmee in wezen uit haar leven zou verdwijnen.

Edele strijd

Op 1 januari 1896 hoorde Louwrens Penning het nieuws over de mislukte, door de imperialist Cecil Rhodes geregisseerde inval in de Transvaal die ten doel had Johannesburg te bereiken en te veroveren: ””Het raast in mijn bloed”, zeide ik tot mijn vrouw: ”ik zal een koud stortbad nemen.”” De koude douche bood echter geen soelaas. Daarom zag Louwrens Penning maar één remedie om emotioneel weer in evenwicht te komen. Hij zou de reeds enigszins geoefende pen opvatten om nu in het bijzonder van de edele strijd van het broedervolk der Boeren te getuigen. Het weekblad De Drie Provinciën nam Pennings suggestie aan om ”een verhaal te schrijven over den uittocht der naar de vrijheid dorstende Boeren uit de Kaapkolonie naar een land, waar woeste Kafferstammen en het wild gedierte hen wachtten.” Hoewel de reacties op het feuilleton positief waren, liet de boekuitgave maar een matige echo zien. De echte doorbraak kwam pas met het begin van de tweede Boerenoorlog in 1899. Penning: ”Het was in het najaar 1899. De bliksemstraal sloeg uit; de Groote Boerenoorlog ontbrandde.” Op initiatief van uitgever Voorhoeve in Den Haag begon Penning aan een vijftal romans die als de ”Wessels-serie” grote vermaardheid zouden verwerven: ”En omdat ik mijn volk liefheb en er gaarne toe wilde bijdragen het Christelijk-nationaal bewustzijn te versterken, sloeg ik toe. En de grote mannen onder Afrikaanders, in hun innig Godsvertrouwen en hun geweldigen kamp voor vrijheid en recht zouden mij inspireren bij mijn werk.” Tot en met 1904 vormde de strijd in Zuid-Afrika het middelpunt van Pennings schrijverschap. De waardering daarvoor was groot. Dat merkte onder meer het bij Voorhoeve verschijnende christelijke tijdschrift Timotheüs. Talrijke romans en beschouwingen vloeiden uit Pennings pen. Daarnaast trad hij veelvuldig in het openbaar op en bezorgde velen in Nederland een onvergetelijke avond met zijn voordrachten die hij met de toverlantaarn verluchtigde. Deze dienstbaarheid van zijn verteltalent zette Penning tot het einde van zijn leven voort. Radiovoordrachten voor de NCRV maakten daar deel van uit.

Edele Boeren

De aantrekkingskracht van Pennings werk is gelegen in het leesplezier dat hij de lezer van zijn werk verschafte. Penning plaatst zijn lezers altijd midden in een handeling die de nieuwsgierigheid opwekt. Hij verstaat de kunst om meteen sfeer te scheppen. Vaak is een groep mensen onderweg en worden tijdens een rustperiode gesprekken gevoerd. Het is opvallend hoeveel gesprekken Pennings romans bevatten. Die gesprekken verlenen een dramatisch effect aan het vertelde. Het gesprek kan in een keuken of in een kamer plaatsvinden. Dikwijls bevatten deze gesprekken zorgen over de toekomst of terugblikken op gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan. De roman plaatst je als lezer in een spannende situatie waarbij je je vervolgens emotioneel betrokken voelt. In zijn romans over Zuid-Afrika steekt de verteller Penning zijn persoonlijke voorkeur niet onder stoelen of banken. De Engelse soldaten verschijnen doorgaans als laffe, arrogante, wrede, ongodsdienstige en immorele zuiplappen, terwijl de edele Boeren de zuiverheid en de godsvrucht van de eertijdse geuzen hebben geërfd. De zwarten krijgen dikwijls het stempel van de onbetrouwbaarheid opgedrukt, zij het met uitzondering van het ”wakkere Moortje” uit de roman ”De verkenner van Christiaan de Wet” uit 1902, met Louis Wessels, de Nederlander Jan Tromp en de Vrijstaatse jongen Blikoortje als de hoofdpersonen. Blikoortje als dappere deugniet was een gouden vondst. Met zijn ondeugendheid gaf hij een humoristisch accent aan het geheel. Ik denk dat Louwrens Penning in zijn diepe gelovigheid ook een met humor gezegend mens was. Toen Penning in 1924 zeventig jaar werd, boden zijn kinderen hem als geschenk een bibliografie van zijn gehele werk aan. Hij had toen maar liefst 78 boeken gepubliceerd. Niet alleen over Zuid-Afrika. Ook over de vaderlandse geschiedenis, over het volk Israël, over de vrijmaking der slaven in Suriname, over Hongarije en over de revolutie in Rusland. Zijn werk werd ook vertaald, onder meer in het Duits. Hij wist als geen ander door zijn aantrekkelijke vertelstijl de liefde voor de geschiedenis in het perspectief van Gods bemoeienis met de mens op een breed publiek over te dragen. Door de edele mensen die hij in zijn romans tot leven wekte, heeft hij zonder twijfel een veredelende invloed op zijn lezers gehad.

Levensleiding

De kern van Pennings leven en werk is gelegen in zijn geloof in Gods leidende hand in de geschiedenis der volkeren en in de levenservaringen van de individuele mens. Zowel in zijn romans, novellen en overdenkingen als in de brieven die hij aan zijn vrouw, zijn kinderen en aan zijn talrijke vrienden schreef draait alles om het vaste geloof in de leiding van het leven door een genadige God. Hij was een beminnelijk mens. Maar hij was vast niet makkelijk wanneer het op principes aankwam. Dat komt ook naar voren uit het verslag dat hij van november 1922 tot juni 1923 maakte van zijn eerste en enige reis naar dat door hem gekoesterde en bewonderde Zuid-Afrika. Hij gaf zijn ogen de kost en zag ook dingen op menselijk gebied in Zuid-Afrika die niet de toets der christelijke naastenliefde konden doorstaan. Lang voordat hij zelf per koets of trein door de Karoo reisde, had hij zijn romanfiguren in die contreien vanuit zijn verbeelding begeleid. Het moet hem soms vreemd te moede zijn geweest om in het land van de verbeelding nu zelf aanwezig te zijn. Nederland en Zuid-Afrika zag Penning in een ideale, geestelijke eenheid verenigd. Zoals de roman ”De verkenner van Christiaan de Wet” het formuleert: ”Hij nam de Vierkleur; het was de Driekleur van Oud-Nederland, met het groen der hope omzoomd, want dit jonge volk was een loot van de Oud-Nederlandse stam, waarboven de ster der hope blonk met heldere glans.”