Cultuur & boekenAchtergrond

Herrie in De Haan

Fictie

Het heeft zo zijn voordelen om een studente met geldnood te zijn. Zo is er niemand die onbescheiden vragen stelt wanneer je bij het uitzendbureau informeert naar spoedvacatures bij eethuis De Gouden Haan – en dus kan het gebeuren dat je de volgende dag met borden boeuf bourguignon loopt te jongleren alsof je nooit anders gedaan hebt.

Een hand houdt een fles wijn schuin waar een rode straal uit komt.
beeld Inge van der Maas

De Gouden Haan blijkt niet bepaald een driesterrenrestaurant. Het ligt aan een kruising van twee drukbereden boswegen en lijkt vooral oma’s met kleinkinderen, ANWB-stellen en groepjes dikke mannen op racefietsen te lokken. Op het menu staan voornamelijk pannenkoeken en stoofpotjes. De gewraakte reerug prijkt met vergulde letters eenzaam bovenaan de kaart.

Toch lijkt het gebrek aan haute cuisine de mensen niet tegen te houden om op het terras neer te strijken. Zelfs op een doorsnee dinsdagmiddag zit het restaurant zo vol dat ik me als een ballerina op gestrekte tenen tussen de tafeltjes door moet draaien.

„Loopt goed hè?” merk ik terloops op tegen het meisje achter de bar, terwijl ze mijn dienblad met glazen cola volstapelt. „Is het altijd zo druk?”

„Druk wel”, zegt het meisje. „Aan de klanten zal het niet liggen.”

Haar toon maakt me opmerkzaam. „Problemen?” zeg ik, zo nonchalant mogelijk.

Het meisje knikt met haar ogen naar het balkenplafond. „Houtrot”, zegt ze gedempt. „De boel is een paar maanden terug aan het licht gekomen. Niets meer mee te beginnen; er is al dertig jaar niks aan gedaan. Familiebedrijf, weet je. Tradities en zo. Nu zitten ze met de gebakken peren.”

„Er moet dus verbouwd worden.”

Ze grinnikt. „Verbouwd? De hele zaak moet plat! Anderhalf miljoen euro, heb ik horen waaien. Weet je wel hoeveel pannenkoeken je daarvoor moet bakken?”

„Hé daar, nieuwe dame! Twee cola voor tafel zeven, heb ik gezegd!” Mijn kersverse leidinggevende, een opgepoetste knul in een hagelwitte blouse, maakt verwoede gebaren vanaf de andere kant van de eetzaal. Ik keer hem minzaam mijn rug toe. Twee cola of anderhalf miljoen spekpannenkoeken – daarmee zal De Gouden Haan het niet redden. Maar een inbraak …?

Terwijl ik mijn dienblad door de zaal laveer en onopvallend een slokje uit een van de overvolle glazen neem (wie had gedacht dat gedienstig glimlachen en ja knikken zo dorstig maakt?), glijdt mijn blik over de hoofden van de gasten: twee vrouwen in wandeloutfit, een oude dame met een pekinees, een lange, al wat grijzende heer die over een klein notitieboekje gebogen zit …

Ik verslik me prompt in mijn Pepsi. Wel heb ik ooit – de mysterieuze man in de olijfgroene overjas!

Meteen vlamt mijn nieuwsgierigheid op. De man zit met zijn rug tegen de muur; onopvallend over zijn schouder gluren gaat niet. Ik zal een list moeten bedenken …

Ik zet met een snelle, tersluikse beweging mijn elleboog op het opschrijfboekje en trek het naar me toe

Vlak voor me duikt de tirannieke manager op, een fles duur uitziende wijn in zijn handen. „Een uitstekende keuze, zoals gewoonlijk”, zegt hij kruiperig, terwijl hij de fles kantelt om in te schenken. Ik aarzel geen moment. Met een gilletje struikel ik over een denkbeeldige tafelpoot en grijp me vast aan de arm van de manager. Mijn dienblad kantelt. De fles schiet uit. Een flinke gulp rode wijn en de inhoud van twee glazen cola stromen over de olijfgroene overjas. Terwijl beide mannen zich haastig met servetten vooroverbuigen, zet ik met een snelle, tersluikse beweging mijn elleboog op het opschrijfboekje en trek het naar me toe.

Twee, drie zinnen, dicht op elkaar geschreven. ”Airelles”. Waren dat geen veenbessen? En hier, een reeks cijfers …

„Zeg eens, probeerde u mijn notitieboek te ontvreemden?”

Ik schiet overeind. „Nee hoor”, zeg ik. „Helemaal niet.”

De manager snuift vervaarlijk. De overjas fronst. „Die jas moet gestoomd worden. Wat is uw naam, juffrouw …?”

Maar zover laat ik het niet komen. Vlug schiet ik om de tafel heen de zaal in, richting de deur. „Het spijt me”, roep ik over mijn schouder. „Stuurt u de rekening maar naar het kantoor van Vincent Jansonius!” Op dat moment ontdek ik tot mijn schrik dat mijn weg naar de vrijheid wordt geblokkeerd door een reusachtige bestekkar, die midden in het gangpad staat. Razendsnel kijk ik om me heen. Ik zie nog maar twee ontsnappingsmogelijkheden …