
Voorstel voor nieuw onderwijsbeleid op basis van de religieuze gemeenschap
Als uitwerking van de in mijn vorige column voorgestelde update van artikel 23 van de Grondwet nu een voorstel voor het onderwijsbeleid onder een regering-Jetten.
We willen goed onderwijs. Op basis van onderzoek (”evidence informed”) is het uitgangspunt: de gemeenschapszin als de belangrijkste voorwaarde voor een goede school. Dus een eensgezinde, sterke drijfveer die bij alle betrokkenen aanwezig is. Een teamgeest, tussen leraren, directie en bestuur en liefst ook de ouders. Dat helpt niet alleen om de beste, flexibele aanpak voor elk kind te vinden en evenzo niet alleen om de kennis en (basis)vaardigheden te verbeteren, maar ook om structureel én ongedwongen te werken aan persoonsvorming en morele vorming. En dat is weer een cruciale voorwaarde voor effectieve burgerschapsvorming. Dat kinderen goede burgers worden, gebeurt immers niet vooral door een samenhangend programma op school, maar met name doordat er een vuurtje van verlangen gaat branden om het goede te doen voor de anderen om hen heen.
Een christelijke levensvisie biedt een goede basis voor barmhartigheid en vreedzaamheid
En voor die gezamenlijke, diepgewortelde, sterke drijfveer zijn waarden als liefde, verantwoordelijkheid en trouw belangrijk. Waarden die een anker nodig hebben in de levensvisie van de gemeenschap en de teamleden. Waarden die mensen helpen om zichzelf en hun eigen gelijk op een tweede plan te zetten. Omdat een van de belangrijkste waarden de liefde is om met echte interesse naar anderen te luisteren. Juist ook bij beginselvaste mensen, die vanwege hun sterke fundament niet bang zijn voor het gesprek met andersdenkenden, niet bang om oprechte vragen te stellen en kritische vragen te krijgen. Het zijn waarden die mensen helpen om naar elkaar om te kijken. En om zichzelf als medeverantwoordelijk voor de democratische rechtsstaat te zien.
Om deze burgerschapsvorming te stimuleren zijn dus schoolgemeenschappen nodig. Liefst met een levensbeschouwelijk fundament, waarbij een religieuze levensvisie alle respect verdient. Zo’n visie gaat ervan uit dat er meer is dan alleen het aardse. Dat er een God is die het waard is om Hem ons vertrouwen te geven en Hem ons leven te wijden. Dat uitgangspunt maakt het immers gemakkelijker om als leraren en leerlingen een waardengemeenschap te vormen, minstens evenzeer gericht op de gemeenschap als op het individu. Dat uitgangspunt maakt het ook gemakkelijker om beginselvast én geïnteresseerd met andersdenkenden om te gaan. Het geeft daarnaast een duidelijk fundament voor het eerbiedigen van de menselijke waardigheid, die voor iedereen gelijk is.
Bovendien behoedt dit uitgangspunt de school ervoor om de kinderen op zichzelf terug te werpen als het gaat om hun waarden en levensdoel. Veel kinderen en ouderen die het voor die dingen vooral van zichzelf moeten hebben, redden het niet (dat is ook niet vreemd; mensen zijn niet geschapen om voor een eigengekozen doel te leven). Ten slotte behoedt een wereldbeeld waarin met God gerekend wordt de kinderen voor de onmogelijke wens om in dit leven een volkomen geluk te vinden. Als die levensvisie ten slotte christelijk is, dan biedt die bovendien een goede basis voor barmhartigheid en vreedzaamheid.
Ons land kent nu eenmaal veel levensvisies, dus kan de overheid niet bepalen welke levensvisie er op de scholen centraal moet staan. Dan zou de overheid immers in de opvoedingsvrijheid van de ouders treden en in het maatschappelijk leven ingrijpen door religieuze opvattingen te beïnvloeden. Maar dat kan in een rechtsstaat niet. Laat kinderen dus maar vanuit een levensbeschouwelijke gemeenschap onderwijs krijgen; ze kunnen dan zelf richting de volwassenheid keuzes maken (en dat kan toch nooit vanuit een vacuümopvoeding).
Het lerarenbeleid, het leermiddelenbeleid en het burgerschapsonderwijs moeten daarom overal gestoeld zijn op de levensbeschouwelijke grondslag van de school. Dat geldt ook voor het beleid voor de schoolcultuur en de sociale veiligheid. Scholen dienen de betrokkenen juist vanuit hun eigen levensvisie te bewegen tot een houding van liefde en zorg naar álle leerlingen. Dat kan wel inhouden (bijvoorbeeld op christelijke scholen) dat kinderen leren dat het goed is om hun neigingen te wantrouwen vanuit hun christelijke hoop. De staat kan ook op dit punt immers niet in religieuze overtuigingen treden. Op die manier zijn artikel 1 en 23 van de Grondwet in een gezond evenwicht.
En voor ons op de christelijke scholen geldt: laat het hemels burgerschap ons dagelijks ernst zijn, ook in het gebed voor de overheid en de mensen om ons heen.
De auteur is advocaat bij BVD advocaten.
Vond u dit artikel nuttig?
Gerelateerd nieuws
- Meer over
- Column Samenleving en Politiek








