PolitiekTweede Kamerverkiezingen

Onderwijsvrijheid op hellend vlak

Politiek Den Haag gunt orthodoxe scholen langzaam maar zeker steeds minder ruimte voor het overdragen van hun levensovertuiging. Ook het personeels- en toelatingsbeleid ligt onder vuur.

Samengesteld beeld van elementen die te maken hebben met de Tweede Kamerverkiezingen en voor deze aflevering van de serie met boeken, een Bijbel, een meisje in de schoolbanken en een afbeelding van de Grondwet.
beeld RD, ANP, Getty Images

„De vrijheid van onderwijs is een onrustig bezit.” Dat verzuchtte oud-GPV-fractievoorzitter Gert Schutte in de jaren negentig van de vorige eeuw regelmatig als hij weer eens een aanvaring achter de rug had met collega’s van seculiere partijen over de reikwijdte van het grondwetsartikel over onderwijsvrijheid. Het GPV was een van de voorlopers van de ChristenUnie.

Decennialang morrelden politieke partijen niet aan de formulering van artikel 23, het grondwetsartikel over de vrijheid van onderwijs. Oud-VVD-Kamerlid Clemens Cornielje droeg zelfs altijd een geplastificeerd kaartje in zijn colbertje met daarop het befaamde artikel 23.

„De vrijheid van onderwijs mag nooit een vrijbrief vormen voor uitsluiting”

VVD-verkiezingsprogramma

Toch kwamen er gaandeweg inbreuken op de vrijheid van onderwijs. Een kantelpunt vormde de invoering van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb). Toen kreeg het grondwetsartikel over gelijke behandeling, artikel 1, een bredere werking. Van oorsprong zijn grondrechten bedoeld om burgers te beschermen tegen het handelen van de overheid. Dat heet de verticale werking van grondrechten. De Awgb regelt ook de gelijke behandeling tussen burgers onderling. Dat heet de horizontale werking van grondrechten. De Awgb geldt voor onderlinge handelingen van burgers, particuliere organisaties en bedrijven en moet de gelijke behandeling op het werk, in het onderwijs en bij dienstverlening bevorderen. Zo regelt de wet bijvoorbeeld ook dat bijzondere scholen leerkrachten niet mogen weren vanwege het enkele feit dat ze samenwonen, al dan niet met iemand van gelijk geslacht.

In de jaren daarna kwamen de linkse fracties met voorstellen om het aanname- en toelatingsbeleid voor bijzondere scholen in te perken. Leerkrachten die de grondslag van de school niet onderschrijven, maar slechts respecteren, zouden ook voor benoeming in aanmerking moeten komen. Datzelfde geldt voor de toelating van leerlingen. In 2010 dienden SP, PvdA, GroenLinks en D66 een wetsvoorstel voor een acceptatieplicht in. Behandeling daarvan werd om uiteenlopende redenen steeds vooruitgeschoven. Het plan belandde in de spreekwoordelijke onderste la.

In 2020 kondigde de PvdA een nieuw initiatiefwetsvoorstel aan om artikel 23 aan te passen. In het nieuw geformuleerde artikel moet komen te staan dat alle scholen alle leerlingen moeten toelaten. En dat scholen les geven in burgerschap, artikel 1 van onze Grondwet naleven en de waarden van onze democratische rechtsstaat meegeven.

Burgerschapswet

In het kader van het burgerschapsonderwijs heeft de wetgever hier al deels gevolg aan gegeven. De burgerschapswet, die in 2021 werd ingevoerd, regelt dat de basiswaarden van de democratische rechtstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en verdraagzaamheid, leidend zijn in het onderwijs. Maar de wetgever heeft óók gezegd dat scholen vanuit hun eigen identiteit onderwijs mogen geven, mits ze er nadrukkelijk bij zeggen hoe anderen in de samenleving erover denken. En de scholen moeten leerlingen respect bijbrengen voor andersdenkenden. Scholen zijn nu druk bezig met de implementatie daarvan. Dat gaat nog niet overal goed, zo blijkt uit onderzoeken van de inspectie.

Maar liberale en progressieve partijen willen nu nog een stap verder gaan. Ze vinden dat het grondwetsartikel over de vrijheid van onderwijs helemaal niet in mag gaan tegen artikel 1. Daarmee krijgt artikel 1 het karakter van een supergrondrecht. In het VVD-verkiezingsprogramma staat letterlijk: „We blijven zien dat de vrijheid van onderwijs, zoals vastgelegd in artikel 23 van de grondwet, botst met het gelijkheidsbeginsel. Daarom passen we artikel 23 aan, zodat de vrijheid van onderwijs niet langer het gelijkheidsbeginsel ondermijnt. De vrijheid van onderwijs mag nooit een vrijbrief vormen voor uitsluiting.”

„De vrijheid van onderwijs is een onrustig bezit”

Gert Schutte, oud-GPV-Kamerlid

GroenLinks-PvdA en D66 hebben dit niet zo letterlijk in hun programma staan, maar in de afgelopen week, tijdens een Kamerdebat waarin het ook ging over het burgerschapsonderwijs, onderschreven de partijen dit VVD-standpunt. De uiterste consequentie daarvan is dat scholen niet meer mogen zeggen dat de religie van waaruit zij lesgeven, de beste is. Dat zou strijden met het beginsel van gelijkheid en verdraagzaamheid. Sommige onderwijspedagogen zeggen dat ook. En ook de Onderwijsinspectie heeft al scholen op de vingers getikt omdat ze hun eigen standpunten te prominent naar voren brachten.

Diezelfde linkse en liberale partijen zijn ook voor overheidstoezicht op het informeel onderwijs. En mogelijk is ook de PVV daarvoor. Er is een wetsvoorstel in de maak. Waarschijnlijk komt de noodzaak van dit toezicht weer op tafel tijdens de formatiebesprekingen die na de verkiezingen van start gaan.

Toelatingsbeleid

Ook het toelatings- en aannamebeleid van leerlingen op basis van de grondslag van de school, blijft onder vuur liggen. VVD, GroenLinks-PvdA, SP en D66 pleiten in hun programma’s voor het moderniseren van artikel 23. Ze willen scholen verbieden om kinderen of leraren te weigeren op basis van hun geloof of achtergrond. Als onderdeel daarvan moet er volgens hen een eind komen aan het gebruik van identiteitsverklaringen waarin ouders (en leerlingen) de uitgangspunten van de school onderschrijven.

De partijen die achter het grondwetsartikel over de vrijheid van onderwijs staan, zijn CDA, SGP, ChristenUnie, NSC, BBB, DENK en FVD. Ook de PVV wil artikel 23 handhaven, maar vindt dat moslims met hun islamitische scholen niet langer gebruik mogen maken van deze vrijheid.

Volt komt met het meest rigoureuze voorstel: draai de geldkraan voor het religieus onderwijs helemaal dicht.

Kortom, het denken over onderwijsvrijheid bevindt zich dus op een hellend vlak. De stelling van de GPV’er Schutte heeft anno 2025 niets aan actualiteit verloren.