Leuk, die Nederlandse economie!

beeld ANP, Lex van Lieshout

Sinds een week houd ik me in mijn werk weer bezig met de Nederlandse economie. Om een beeld te krijgen van de beleidsdiscussie leek het me nuttig twee recente ambtelijke rapporten tot me te nemen.

Als eerste het rapport van de studiegroep begrotingsruimte, waarin aanbevelingen zijn te vinden voor een nieuw kabinet over de vraag hoe het moet omgaan met de overheidsfinanciën. Daarnaast een rapport van de studiegroep duurzame groei, met aanbevelingen over –u raadt het al– hoe Nederland duurzaam kan groeien. Twee rapporten, uit de Haagse ambtelijke werkelijkheid, die naar mijn inschatting hun weerslag zullen vinden in een nieuw regeerakkoord, ongeacht de samenstelling van het nieuwe kabinet. De vraag die ik na lezing heb: waar zijn de ambities van Nederland? Of blijven we pappen en nathouden, met een ontevreden electoraat tot gevolg?

Eerst het ambtelijke proza over de begrotingsruimte. Er staat met zoveel woorden dat een nieuw kabinet niet extra hoeft te bezuinigen, maar ook dat het geen ruimte heeft voor ‘leuke dingen’. Dat is aanzienlijk beter nieuws dan in 2010, toen dezelfde ambtenarenclub een bezuinigingsopgave van 29 miljard noteerde. Nagenoeg alle partijen omarmden deze berekening.

Prettig dat er nu niet hoeft te worden bezuinigd. Maar er is ook een andere kant: burgers zien hun koopkracht per saldo niet toenemen, inkomensongelijkheid wordt groter en de werkloosheid daalt slechts langzaam. Daarbij rekent deze begrotingsaanname met een bovengemiddelde groei van 1,8 procent per jaar voor de komende vijf jaar. In dit rapport is daar niet veel over geschreven. Dit is een boekhoudkundige exercitie; de uitkomsten voor de samenleving zijn voor deze studiegroep blijkbaar niet van belang.

Daarom is het mooi dat er nu ook een tegenhanger van het rapport is, die focust op duurzame groei. Een nieuw experiment, waarbij nog maar moet blijken of de invloed van dit rapport net zo groot is als dat van het begrotingsgezelschap. De maatregelen die het voorstelt helpen de structuur van de Nederlandse economie te verstevigen, de economie te verduurzamen en waar nodig aan te passen aan de economische en technologische dynamiek.

Bij lezing valt al meteen op dat de conclusies veel minder eenduidig zijn; het rapport leest als een menukaart voor een nieuw kabinet. Daarbij kosten nagenoeg alle voorgestelde maatregelen die Nederland vooruit helpen geld. Soms veel geld. Nagenoeg de enige maatregelen die geld opleveren, zijn aanpassingen op de arbeidsmarkt, zoals de afschaffing van de zelfstandigenaftrek en beperkingen in het ontslagrecht.

Ook opvallend is dat het rapport erkent dat er mogelijkheden liggen in een transitie naar een meer circulaire economie. Daarbij constateren de samenstellers het denken over dit thema nog volop in ontwikkeling is. Daarom worden er geen duidelijke aanknopingspunten voor beleid of een investeringsagenda genoemd. Beide ambtelijke rapporten ademen een geest van stuurbaarheid. Het sturen om binnen de lijnen van de begroting te blijven, het sturen op economisch optimale uitkomsten. Bij beide mis ik de ambitie om iets te doen aan problemen waar veel burgers wakker van liggen: inkomensstagnatie, onzekerheid en werkloosheid. Elke politieke partij snakt naar juist een ambitieus en wervend verhaal.

Ook op een ander terrein mis ik ambitie: het echt duurzaam veranderen van Nederland. Dat vergt forse investeringen. Waarom durven de ambtenaren niet meer gas te geven op zo’n thema? Bij een extreem lage rente kun je ruimte maken voor bijvoorbeeld investeringen in duurzame infrastructuur.

Dit soort gedachten passen blijkbaar niet in de Haagse werkelijkheid, waar begrotingscijfers belangrijker lijken te zijn dan mensen. Waar economische onzekerheid wordt uitgebannen door uit te gaan van vrij rooskleurige economische voorspellingen. En waar ambities geen plaats krijgen. Sturen, het liefst op concrete cijfers, daar houden ambtenaren van. Leuk, die Nederlandse economie.

De auteur is econoom bij Rabobank.