Hoge Raad: Staat mag eenverdiener benadelen

Eenverdieners
beeld RD, Henk Visscher

Dat het Nederlandse belastingstelsel nadelig uitpakt voor eenverdieners is niet in strijd met internationale verdragen.

Dat stelde de Hoge Raad vrijdag in een door hoogleraar Teunissen namens een echtpaar uit Landgraaf aangespannen zaak.

De advocaat-generaal van de Hoge Raad, die een adviserende rol heeft, kwam in december al tot de slotsom dat van verdragsschending geen sprake is.

Het paar protesteerde tegen de inkomstenbelasting die het had opgelegd gekregen voor 2013. Daarbij had de echtgenote van het paar in aanmerking kunnen komen voor een algemene heffingskorting van 2001 euro. Conform de Wet op de inkomstenbelasting uit 2001 wordt deze korting voor de minstverdienende partner echter stapsgewijs afgebouwd, zo ook in dit geval. Voor de vrouw werd de korting dus verminderd tot 1468 euro, zonder dat dit leidde tot een verhoging van de gecombineerde heffingskorting voor de echtgenoot.

Teunissen voerde aan dat het fiscale stelsel partners door deze afbouw min of meer dwingt om allebei te gaan werken, terwijl dit lang niet altijd haalbaar of wenselijk is. Het Nederlandse belastingrecht zou daarmee in strijd zijn met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dat het privé-, familie- en gezinsleven van burgers beschermt.

Volgens de Hoge Raad is het recht op gezinsleven echter niet absoluut en mag de overheid gelet op het economisch welzijn van een land ook wetten maken van budgettaire en sociaaleconomische aard. Het EVRM verbiedt overheden niet tussen beide belangen een afweging te maken, zoals Nederland in dit geval heeft gedaan, aldus de Hoge Raad.

Teunissen had verder aangevoerd dat de belastingwet van 2001 leidt tot een niet te rechtvaardigen ongelijke behandeling van één en tweeverdienersgezinnen en van gezinnen met voldoende en onvoldoende inkomen om de algemene heffingskorting te kunnen verzilveren.

De Hoge Raad stelt echter dat verdragspartners ook in dit opzicht eigen keuzes mogen maken. Onderscheid maken is alleen onacceptabel als dit evident van redelijke grond is ontbloot, aldus het hoogste rechtscollege.

Daarvan is in dit geval geen sprake vindt de raad. Het kabinet koos in 2001 beargumenteerd voor een versnelde afbouw van de algemene heffingskorting voor de minst verdienende partner, namelijk „om redenen van budgettaire, sociaaleconomische en emancipatoire aard.”

Andere opties waren mogelijk geweest, stelt de Raad, maar dat maakt deze maatregel nog niet onredelijk.

Teunissen heeft laten weten dat hij de zaak nu aanhangig gaat maken bij het Europees Hof voor de rechten van de mens in Straatsburg.