Paramaribo: levendige handel in voedselpakketten

Buitenland
Noodpakket van de Surinaamse overheid. beeld Armand Snijders

Onze twee in mijn ogen imposante vriezers liggen tot de nok toe vol met diepvriesproducten. Daarnaast hebben we nog een forse koelkast met idem vriesgedeelte waar ook niets meer bij kan.

Dat is de doorsnee situatie in een huis met een vrouw die dagelijks een verantwoorde lunch moet bereiden voor zo’n 35 kinderen van een dure Nederlandse school. Tel daar de cateringklussen bij op die regelmatig moeten worden uitgevoerd, en u zult begrijpen dat zoveel opslagruimte niet overdreven is. Het is niet zo vreemd dat we altijd zo’n 60 kilo kippenvlees, bergen diepvriesgroenten en andere lekkere dingen hebben liggen.

Maar momenteel zijn de scholen vanwege de coronacrisis op last van de regering ook in Suriname al weken gesloten. Ook al zijn hier sinds weken slechts tien bevestigde gevallen geregistreerd, toch moeten we ons hier aan de op Europese leest geschoeide regels houden. Of dat overdreven is, zal de toekomst moeten leren. Aan de andere kant: als het niet baat, het schaadt ook zeker niet. Dus we hebben daar vrede mee. Het gevolg is dat de vrieskisten blijven wat ze zijn: tjokvol.

Nu blijft al dat eten wel goed; het zijn niet voor niets vriezers. Het probleem is dat we niets meer kunnen bijbestellen, zoals we dat gewend zijn. Om rendabel te kunnen kopen, struinen we winkels af, op zoek naar koopjes. Die moeten we nu laten liggen. Het meest vervelende is dat we de „overheidspakketten” aan onze neus voorbij moeten laten gaan.

Die worden doorgaans door de grootste regeringspartij gratis aan noodlijdende gezinnen verstrekt. Maar, zoals met alles, is er daarnaast een levendige handel in ontstaan waar politici een aardige extra boterham mee verdienen.

Het is natuurlijk pijnlijk dat pakketten met eerste levensbehoeften moeten worden verstrekt aan de armsten der armen. Als het land door falend beleid zo is afgegleden dat het voor sommige mensen een kwestie van overleven is, dan begrijp je dat het bittere noodzaak is.

Zo’n pakket bevat onder meer een pak met kippenboutjes, een liter olie en 5 kilo rijst, 500 gram melkpoeder, sardines, een pot bruine bonen en aardappelen, uien, knoflook, zout en suiker. Spullen die ieder huishouden kan gebruiken met een waarde van zo’n 275 Surinaamse dollar (bijna 30 euro). Het gemiddelde maandinkomen ligt hier op 250 euro, dus voor velen is zo’n pakket heel wat.

Maar van de vele duizenden pakketten die iedere maand moeten worden geleverd, blijft zeker 30 procent aan de strijkstok hangen. Die worden door de partijgenoten niet afgegeven aan hulpbehoevenden, maar worden onderhands verkocht voor zo’n 100 Surinaamse dollar. Illegaal natuurlijk, en iedereen spreekt er schande van, maar ik ken maar weinig mensen die daar geen gebruik van maken. Ik moet bekennen dat ook bij ons thuis dit soort pakketten worden geleverd; je bent immers een dief van je eigen portemonnee als je dat niet doet.

Nu we geen plek meer hebben om al die spullen op te bergen, begin ik mij echt af te vragen of we het naar ons zelf toe wel kunnen verantwoorden om nog langer deze ‘foute’ spullen aan te schaffen. Want hoe je het ook wendt of keert: formeel is het pure heling. Je koopt in feite gestolen spullen, ook al is het gelegaliseerd door partijbonzen. Ik ga daar de komende tijd nog eens flink over nadenken. Door de coronacrisis is er voorlopig toch geen school.