Het oude Panama-stad komt even tot leven

5

De lucht is zwaar van vocht, een tropische stortbui staat op losbreken. Maar dan gebeurt er wat anders. De deuren van een schoolbus klappen open en joelende kinderen hollen naar het terrein waar de eerste versie van de stad Panama werd gesticht. Hier staan de oudste Spaanse ruïnes in de Nieuwe Wereld.

Het gaat economisch goed met Panama. Dat kun je ook zien, het huidige Panama-stad ontwikkelt zich razendsnel tot een megastad in Midden-Amerika. De skyline vol wolkenkrabbers is indrukwekkend. Net buiten de bebouwde kom doorkruist de snelweg naar het vliegveld een arme volkswijk. Links van die snelweg, tussen de woonhuizen in, zien we de eerste imposante ruïnes uit vervlogen tijden. Rechts tussen de snelweg en de zee, pal aan een baai vol mangroven, ligt de echte kern van wat ooit de eerste versie van Panama-stad was. Het is een gebied van wel 32 hectare met helemaal achterin, bij de markante toren die eens een kathedraal flankeerde, een fraai museum. Hier komt de koloniale historie van het land tot leven.

Stille Oceaan

In het jaar 1501 ontdekken de Spanjaarden de Atlantische kust, de bovenkant van wat nu het land Panama is. Twaalf jaar later maakt Vasco Nunez de Balboa zich onsterfelijk door als eerste Europeaan de Stille Oceaan te bereiken, zeg maar de onderkant van het huidige Panama. In 1519 stichtten de Spanjaarden aan de kust van die Stille Oceaan de stad Panama. Het blijkt een bar avontuur in een onherbergzaam gebied met tropische ziekten. Er wonen vriendelijke indianen, zoals de Embera, maar ook heel vijandige, zoals de Cueva. Deze bezitten zelf amper goud, maar profiteren van een prachtige positie precies tussen het rijk van de Azteken (in het huidige Mexico) en dat van de Inca’s (in het huidige Peru) in. Ze drijven met beide handel, zo blijkt uit opgravingen van gouden ornamenten, beeldjes, aardewerk en molenstenen. De Cueva bouwen zelf geen massieve piramiden of stedelijke nederzettingen, zoals je die elders in Latijns-Amerika wel terugziet van Inca’s, Maya’s, Azteken en andere indianen. Uiteindelijk zijn de Spanjaarden klaar met deze Cueva. Ze worden allemaal uitgemoord: levend geroosterd en aan de honden gevoerd.

Piraten

Waar nu het Panamakanaal de Stille Oceaan met de Atlantische Oceaan verbindt, loopt in de koloniale tijd een belangrijke doorgangsroute over land. Hierlangs trekken de Spanjaarden met militaire expedities richting El Dorado, het goudland van de Inca’s in wat nu Peru is. De goudschatten zijn er gigantisch, de koloniale economie bloeit. Rond 1670 telt Panama-stad al 10.000 inwoners. Gebouwen zijn –zeker voor die tijd– imposant en fraai vormgegeven en liggen in een duidelijk stedenbouwkundig patroon. Hier bevindt zich het kerkelijke en juridische centrum van het hele Spaanse koloniale rijk.

De Spanjaarden krijgen het in Panama echter steeds zwaarder te verduren. Het zijn roerige jaren vol slavenopstanden, grote stadsbranden en zware aardbevingen. In toenemende mate volgen er aanvallen van boekaniers: piraten die uit zijn op de Spaanse goud- en zilvertransporten. In 1671 is het definitief gedaan met de Spanjaarden in Panama. De Engelse piraat captain Henry Morgan belegert de stad, steekt alle gebouwen in brand en moordt de bevolking uit. Hij gaat ervandoor met een gigantische buit van goud en zilver, om deze af te voeren zijn maar liefst 200 ezels nodig.

Vanwege zijn verdiensten voor de schatkist wordt de uit Wales afkomstige Morgan door het Engelse hof tot ridder geslagen. Hij voltooit zijn cv met een fraaie positie als gouverneur van Jamaica en overlijdt in de leeftijd van 53 jaar aan de gevolgen van overmatig drankgebruik. Hij laat een enorm fortuin na en zijn naam leeft voort als merk van een kruidige Jamaicaanse rum.

Golfkarretjes

Veel puin van het verwoeste oude Panama (Panama Viejo geheten) is hergebruikt bij de bouw van een nieuwe stad, 8 kilometer verderop. Soms werden complete kerk- en kloostergevels daar weer opgebouwd, zodat we hier nu nog een beetje kunnen zien hoe het vroeger geweest moest zijn.

In 1997 werden de ruïnes van Panama Viejo op de Werelderfgoedlijst van Unesco geplaatst. Toeristen betalen 15 dollar entree voor deze archeologische belevenis, voor Panamezen is het gratis. Bezoekers laten er zich per golfkarretje over het traject van 700 meter vervoeren, langs de ruïnes, en van en naar de voormalige kathedraal met de imposante toren. Het hele gebied oogt verzorgd, links en rechts snoeit personeel bomen en houdt er de gazons bij.

Tot de komst van de schoolkinderen is het buitengewoon rustig tussen de ruïnes. Ook in het gloednieuwe Museo de la Plaza Mayor heerst de stilte. Dit museum geeft een prachtig beeld van de geschiedenis van de eerste hoofdstad van de Spanjaarden in de Nieuwe Wereld. De inrichting is eenvoudig, de uitgestalde archeologische vondsten zijn interessant. Het gebouw is fraai vormgegeven, heerlijk koel en een mooie schuilplaats voor de onweersbui die intussen is losgebarsten. Dat hebben de joelende schoolkinderen intussen helaas ook ontdekt.

Embera-indianen houden vast aan hun identiteit

Een verblijf in Panama-stad leent zich uitstekend voor een bezoek aan de Emberá-indianen in het regenwoud van de binnenlanden. Daar waan je je terug in een wereld die ook de Spanjaarden rond 1500 zo moeten hebben gezien.

De gids praat honderduit. Na een rit per comfortabele auto komen we aan bij de rivier. Daar nemen jonge indianenmannen in kralen rokjes en keurig gekapte hoofden de leiding van de gids over. Zwemvesten aan en dan volgt er een schitterende tocht in een uitgeholde boomstam over een snelstromende rivier, dwars door de jungle. Af en toe dwarrelen er langs de oevers blauwe reuzenvlinders.

Op enig moment meren we aan bij een steiger, waar we moeten overstappen. De gids legt lachend uit: „In dit gebied heeft een andere vervoersmaatschappij de transportvergunning.” Met een andere boot en andere bemanning gaat tocht verder.

De Emberá-indianen wonen in de regenwouden van het grensgebied tussen Panama en Colombia. Men schat hun aantal op 20.000. Het waren deze indianen die als een van de eersten contact met Europeanen maakten, toen rond 1500 de eerste Spanjaarden zich onder leiding van veroveraar Francisco Pizarro in Zuid-Amerika vestigden.

De Spaanse kolonisatie van wat nu Panama is, mislukte aanvankelijk: Pizarro en zijn mannen lieten de Embera met rust. Vele priesters en missionarissen hebben daarna nog pogingen gedaan om deze indianen tot het christendom te bekeren, maar de Embera hielden steeds vast aan hun eigen identiteit. Ze geloven in een god die verantwoordelijk is voor heel de schepping en ervoor zorgt dat het goed gaat met de mensheid. Ze kennen geen ceremoniën om deze god te eren.

We komen aan bij het dorp, waar een groep mannen muziek maakt op traditionele instrumenten, vrouwen zingen. Omdat het toerisme hun bron van inkomsten is, mogen we gerust foto’s maken. Het voelt wat ongemakkelijk als ze het publiek tijdens een traditionele dans aan de hand nemen om mee te lopen in de kring.

De lunch bestaat uit gebakken banaan en vis uit de rivier. Verse ananas vormt het toetje. We lopen door het dorp en zien bij de houten huisjes kleine zonnepanelen staan, die stroom leveren voor het opladen van de mobiele telefoon. Zelfs hier is de moderniteit doorgedrongen.

Het dorp heeft een eigen schooltje, waarvan de kinderen schooluniformen dragen. De overige dorpelingen zijn in de traditionele kleding gehuld. Voor mannen bestaat die voornamelijk uit een lendendoek met een korte band van kralen die hun achterwerk bedekt. Vrouwen lopen meestal (behalve als er toeristen komen) met een bloot bovenlichaam en dragen slechts een rokje, de paloma.

De gids maakt duidelijk dat er voor deze indianen buiten het toerisme om onvoldoende bronnen van inkomsten zijn. „In ruil voor natuurbeheer in het Chagres National Park en contact met toeristen betaalt de overheid de Embera een vergoeding. Daarnaast levert de verkoop van souvenirs de indianen nog wat op.”