De weg loopt dood in Servië

Ze vertrokken voor een individueel of gezamenlijk avontuur, op hoop van zegen, snakkend naar vrede, orde en samenhang. beeld Alex de Kock
5

Nog altijd nemen vluchtelingen uit vooral Afghanistan, Irak, Pakistan en Syrië de landroute door de Balkan. In de winter doorstonden ze barre weersomstandigheden en niet zelden de brute behandeling van politie en smokkelaars. Nu het warmer is en de lente bloesemt, zitten ze gevangen. Hun weg loopt dood in Servië.

Servië, dat geen lid is van de Europese Unie, is de transitzone voor duizenden vluchtelingen die de blik op West-Europa richten. Zij hebben vaak veel geld neergeteld voor hun reis en zijn vertrokken voor een individueel of gezamenlijk avontuur, op hoop van zegen, snakkend naar vrede, orde en samenhang.

Ze komen niet alleen uit oorlogshaarden als Irak, maar ook uit veel verder gelegen landen: Bangladesh, Sri Lanka en India. De meesten willen Italië, Frankrijk, Duitsland of Denemarken bereiken. Maar hun weg loopt dood in Servië.

Popcorn

Achter in een volgestouwde Opel rijd ik over de brug naar het centrum van Belgrado. De rivier de Sava, die verderop uitmondt in de Donau, ligt er blinkend bij. Even later parkeren we bij een van de fabriekshallen bij het Centraal Station, waar vluchtelingen bivakkeren. Een sonore omroepstem galmt de vertrektijden van de treinen over het veld. Overal is modder, stof, vuil en plastic bakjes waarin eten zat. Overal zitten, staan en lopen mannen (vrouwen en kinderen bevinden zich elders in de stad): vluchtelingen, asielzoekers en migranten, hoe je ze noemen wilt. Sommigen keurig, anderen haveloos. Ze kwamen hier te voet, of met een auto of in een trein.

2017-04-14-pkFLE2-Aleksandar_Subotin_met_Daniela-3-FC_web„Ik ben ook zo’n vreemdeling”

Dragan, Aleksei en Matteo tillen de popcornmachine uit de koffer. „Die hebben we tweedehands voor een zacht prijsje gekocht – we willen wat vreugde brengen in deze troosteloze wereld”, zegt Aleksei. Binnen een mum van tijd draait het ding op volle toeren en vormt er zich een lang rij van mannen die zin hebben in de met zout besprenkelde popcorn. Sommigen zijn een maand hier, anderen zes tot zeven maanden. Of nog langer. Ze praten door elkaar heen. „Ik wil hier niet blijven, want de burgers spreken hier negatief over hun regering. Ook hier is het arm en is er nauwelijks werk.” Het zijn bijna allemaal jongens en jonge mannen, van 12 tot 30 jaar of wat ouder. „Open de grenzen”, smeken ze.

Vuurtje stoken

In de barakken is het een allegaartje van matrassen tussen opgebouwde schotten van karton. Een paar mannen stoken een vuurtje en bereiden een maaltijd in een pannetje. Tussen de kieren valt er wat daglicht naar binnen, dikke rook kriebelt in de keel. Tomaten en paprika’s hebben ze gekocht. Wil je mee-eten?

„Ik voel me schuldig omdat ik mijn familie heb achtergelaten”, zegt er een. Anderen weten zich „hongerig, ellendig en smerig”, zitten onder de luis of erger. Vaak weet hun thuisfront niet hoe ze eraan toe zijn. Ze schamen zich. Hun dromen spatten hier als een luchtbel uiteen. De Afghaan Betulla (16) wil onderwijzer worden, maar hoe? Sayed Ikram (15), eveneens uit Afghanistan, is al vijf maanden hier, hij is totaal gedesillusioneerd. Een man die zijn studie biochemie wil voorzetten, kijkt mistroostig. Buiten knipt en scheert de ene man de ander. De muren staan vol met slogans en kreten. „World peace”, „We willen als mens behandeld worden”, en „Onderwijs helpt tegen terrorisme.”

Sommigen hebben geld, de meesten hebben een telefoon. Ze laden die aan gemeenschappelijke laadstationnetjes op. De witte tenten zijn van Artsen zonder Grenzen (MSF). Een medewerker daar: „Hun mentale situatie is slecht, door de politie zijn ze geïntimideerd.” Een jongen laat een wond zien. In een hoek van een van de barakken zie ik aan de muur foto’s van bloed en wonden. „Dat doet de politie met ons”, zegt de lange Afghaan die zijn shirt omhoog trekt. Een hondenbeet. Een ander heeft twee officiële papieren bij zich waarop te lezen is hoe hij is toegetakeld. Weer een ander vertelt dat hij al vijftien keer geprobeerd heeft de grens over te komen, bij Hongarije, bij Kroatië. Het lukt niet, ze hebben hem al zijn spullen afgepakt. En dan vertelt een jongen met een verlegen blik dat hij teruggaat. „Mijn vader heeft tegen me gezegd dat ik moet terugkomen naar Afghanistan.” Met de handen op de rug sluit hij aan bij de rij wachtenden voor de warme maaltijd.

Vele gezichten

Belgrado is een stad van vele gezichten. Je vindt er gebouwen die Habsburgse glorie uitstralen en die het socialisme van maarschalk Tito ademen. Alles leeft door elkaar heen: rijk en arm, Porsches naast Zastava’s. Puissant rijke Arabieren lijken graag geziene gasten in Servië. Zo verrijst bij de rivier het protserige ontwikkelingsproject ”Belgrade Waterfront” van de vermogende projectontwikkelaar Eagle Hills uit Abu Dhabi. Pal erachter bivakkeren de straatarme illegalen. In dit surrealistische decor brengt hulpverlener Dragan elke ochtend vers gebakken broodjes die hij voor 20 in plaats van 25 dinar inslaat. „Als christen mag je je naaste niet laten verhongeren. Je moet doen wat je kunt”, zegt hij.

De zon gaat rood onder. Er wordt hout gehakt voor een vuurtje. De bijl zwiept meedogenloos in het rond te midden van een schare mompelende toeschouwers. Onlangs nog heeft een dolgedraaide man een hulpverleenster aangevallen en werd er alarm geslagen. „Hij heeft al duizend keer zijn spijt betuigd”, zegt Dragan.

Shafiullah Attal draagt een lang lichtblauw shirt met broek eronder. Hij valt op vanwege zijn aangetaste huid en gezwollen lippen. „Ik ben al twee keer bij de arts van MSF geweest, ik heb geen geld voor medicijnen”, zegt hij moedeloos. Daarentegen ziet de 29-jarige Pakistaan Kamran Saeed Khan er vlekkeloos uit. Zijn vrouw en zoontje van 22 maanden zijn nog in Peshawar. Hij had een bedrijfje opgezet, in welzijn en zorg, ze distribueerden vaccins. „Op een gegeven moment zag de lokale gemeenschap me als een agent van Amerika. Ze wilden me vermoorden. Na de zoveelste aanslag besloot ik naar Iran te gaan en via Turkije te vluchten. Ik wil proberen in Slovenië te komen en daar wat op te bouwen. Ik heb een goede opleiding en ben apotheker. Ik wil mijn zoon in vrede en veiligheid een opleiding en toekomst bieden.”

Nummer

Eerst sliepen vluchtelingen –er zijn er naar schatting 1000 in Belgrado en 9000 in heel Servië– in het park in de stad, maar dat is schoongeveegd. Nu slapen er zo’n honderd onder de parkeergarage. Het stinkt er naar urine. In andere opvangcentra van de stad –Miksaliste en Infoparc– brengen vluchtelingen de tijd door met zitten, praten en workshops volgen, of ze leren Engels.

Bij Infoparc ontmoet ik Shahnaz Rahimi (38) en haar zoon Sohail van 13. Haar man en twee dochters zijn in Oostenrijk. Shahnaz wacht op toestemming om de Hongaarse grens over te mogen. Het schiet niet op als je weet dat er drie grensovergangen zijn waar per dag drie mensen door worden gelaten. „Ik ben verdrietig, omdat ik mijn kinderen niet zie. We hebben onze winkel in Parvan (Afghaanse provincie) verkocht. We waren bang dat de taliban onze meisjes zouden ontvoeren. Ik ben hier al acht maanden.” Sohail maakt een gebaar van bommen die ontploffen. „Waarom doet Europa de grenzen dicht? Terwijl eerst werd gezegd dat we mochten komen?”

Bureaucratie

Miodrag Cakic is veldcoördinator bij Infoparc. De situatie is complex, zegt hij. „Twee jaar geleden zette Servië de grenzen open, in de veronderstelling dat vluchtelingen een paar dagen hier zouden zijn, op doorreis. Daar kon de regering mee dealen. De situatie liep echter finaal uit de hand. De toestroom was groot en Europa gooide de grenzen op slot. De vluchtelingen konden niet verder. Onze autoriteiten lieten het gebeuren – dit is bureaucratie van de oude tijd. We mochten eerst wel helpen, maar nu niet. Allerlei ngo’s zijn op verschillende manieren bezig, met veel vrijwilligers. Zij doen wat onze regering nalaat: ze delen eten en kleding uit.”

„Weet je wat het is met vluchtelingen? Ze verlangen een systeem, een orde die in hun eigen land ontbreekt. Ze zoeken geborgenheid, veiligheid, inkomen en vertrouwen. Denk maar niet dat ze terug willen naar het land dat ze met zo veel moeite zijn ontvlucht. Ze hebben alles in deze reis geïnvesteerd, soms 5000, soms zelfs 12.000 euro. Nu het voorjaar en zomer wordt, zal de vluchtelingenstroom geheid weer aanzwellen. En wat moeten we dan? De Servische regering ziet de migratiecrisis als handige hefboom om als land toegelaten te worden tot de Europese Unie. De situatie is schrijnend. Velen zitten in een schamel onderkomen of ze leven op straat. Er is gevaar van prostitutie en mensenhandel.”

Prikkeldraad

Vluchtelingen kunnen zich wel of niet laten registreren in Servië. Saeed Khan liet zich bijvoorbeeld registeren in het kamp Obrenovac. Maar velen willen zich niet laten registreren. Ze zijn bang dat ze zullen worden gedeporteerd, terug naar Bulgarije of Macedonië. Terug naar af. Voor deze niet-geregistreerde groep wordt vanuit de overheidsinstanties vrijwel niets gedaan. Hier springen ngo’s en kerken in het gat om deze mensen te ondersteunen met voedsel en andere eerste levensbehoeften.

Dragan: „We hebben geld nodig om deze mensen van een dagelijkse maaltijd te voorzien. En we kunnen kleding en schoeisel kopen en uitdelen.” Hij graait een paar schoenen uit de zak en geeft maat 43 aan de jongeman die hij tegenkomt. Dankbaar gaan diens afgetrapte sloffen weg. „Alsjeblieft, en niet verkopen hé, daar doen we het niet voor.”

Dit is deel 1 van een tweeluik over (de opvang van) vluchtelingen in Servië. Vrijdag deel 2.

Kerken en protestantse christenen

De Stichting Hulp Oost-Europa zet zich sinds vier jaar in voor de vergeten vluchtelingen in Servië. Stichting HOE droeg via plaatselijke partners al meer dan 100.000 euro bij aan de voedselvoorziening en verdere ondersteuning van de vluchtelingen. Tijdens de jaarlijkse vergadering van de verenigde protestantse evangelische kerken in Servië (PEUS) weerspreekt voorzitter Samuilo Petrovski de bewering dat de protestantse kerken weinig doen voor vluchtelingen. „We willen één sterke stem zijn naar de samenleving toe, als eenheid optreden, óók in de migrantencrisis.” De regering doet wel degelijk wat voor de vluchtelingen, zegt hij, wijzend op het aanwezige sociaaldemocratische parlementslid Vladimir Marinkovic, orthodox christen. Marinkovic vindt dat het EU-lidmaatschap prioriteit moet hebben voor Servië, en hij staat daarmee op een lijn met de 2 april tot president gekozen Aleksandar Vucic. „We zitten met een communistische erfenis, ons land snakt naar christelijke waarden en normen. We hebben een nieuwe benadering van geloof en ethisch reveil nodig. Ook als het gaat om onze houding tegenover de vluchtelingen. We moeten hen steunen en opdragen in het gebed.”