China vecht via Noord-Korea met de VS

beeld AFP

Slap en lauw. Dat is de Chinese opstelling tegenover Noord-Korea. De reden? Over de hoofden én kernkoppen van Kim en zijn kliek heen voert China een andere strijd: die om de hegemonie over Oost-Azië. Niet Noord-Korea, maar Amerika zit daarbij in de weg.

Maakt het wat uit dat Noord-Korea in Oost-Azië ligt? Dat maakt zeker wat uit en wie daaraan twijfelt die leze het boek ”Asia’s Cauldron. The South China Sea and the End of a Stable Pacific”, van Robert Kaplan.

De Amerikaan heeft tal van boeken op zijn naam staan en wat al die publicaties thematisch aan elkaar rijgt, is het belang van geografische of geopolitieke omstandigheden voor de internationale politiek. ”Asia’s Cauldron” is daarop geen uitzondering. Of die rode draad de dingen ook versimpelt? De boektitel suggereert het tegendeel: ”cauldron” is immers Engels voor ”heksenketel” en in goed Nederlands staat dat voor ”een onontwarbare kluwen”.

Wat is de rode draad in Kaplans Aziatische heksenketel? China! Dat in Oost-Azië regionale overheersing zoekt en daarbij wordt geconfronteerd met de Verenigde Staten als hinderlijke tegenstander, simpelweg omdat die momenteel de hegemonie –maar dan militair– in de regio hebben.

Het is mede vanwege dit levensgrote Oost-Aziatische dilemma, zo zou je uit Kaplans analyse kunnen concluderen, dat de crisis rond Noord-Korea nog altijd niet is opgelost. China weigert mee te werken aan een Amerikaanse oplossing omdat het daarmee de hegemonie van de VS in stand houdt en zelfs versterkt.

Mocht Noord-Korea als gevolg van te zware sancties of door een Amerikaanse militaire aanval van de aardbodem verdwijnen, dan is het wormvormig aanhangsel dat Koreaans schiereiland heet straks volledig bedekt met de ”stars and stripes” van de Amerikaanse vlag.

Wetmatig

Nu is dat schiereiland nog verdeeld in een pro-Amerikaans en een pro-Chinees Korea, en wat China betreft moet dat vooral zo blijven (al zou Peking op termijn liever zien dat beide Korea’s pro-Chinees en anti-Amerikaans worden).

Over één ding geen misverstand: China’s ambitie tot overheersing van Oost-Azië is volgens Kaplan geen keuze, maar een wetmatig gevolg van China’s opkomst als economische grootmacht. Daar is geen houden aan, hoe graag de Amerikanen dat ook willen.

Intussen zijn er vanwege die Chinese ambitie in Oost-Azië twee conflicthaarden: in het noordelijk deel is dat de toekomstige status van Noord-Korea (en, zou je eraan toe kunnen voegen, de regelrechte confrontatie met die andere regionale grootmacht Japan). In het zuidelijk deel van Oost-Azië heet de conflicthaard de Zuid-Chinese Zee.

Omdat de kwestie Noord-Korea voortettert, is de Chinese overheersing van het Koreaanse schiereiland, met daarna de dominantie van de Oost-Chinese Zee, vooralsnog een lastige. Ook omdat, zoals gezegd, aan de Koreaanse oostkust direct Japan opdoemt als rivaliserende grootmacht.

Sneller gaat de Chinese opmars richting Zuid-Chinese Zee. Daar heeft Peking immers relatief zwakke staten tegenover zich, zoals de Filipijnen, Indonesië en Vietnam (waarvan die laatste dan weer de meest geduchte is).

Interne kwestie

Haviken en duiven in China, stelt Kaplan, beschouwen de Chinese overheersing van de Zuid-Chinese Zee als iets vanzelfsprekends, als een interne kwestie.

En uiteraard blijft het wat hen betreft niet bij die ene waterplas. Dominantie van de Zuid-Chinese Zee vergemakkelijkt China’s streven om een heuse oceaanmacht te worden, een tweevoudige zelfs: op de westelijke Stille Oceaan (in oostelijke richting) en op de Indische Oceaan (ten zuidwesten van China).

Uit het voorgaande blijkt overduidelijk: Oost-Azië is een geopolitiek en militair-strategisch waterig geheel: zeeën en oceanen spelen er een hoofdrol in het machtspolitieke spel, en dat is niet toevallig. Zo wordt het overgrote deel van China’s olie vanuit het Midden-Oosten over water aangevoerd: via de Indische Oceaan, door de Straat van Malakka, richting de Zuid-Chinese en Oost-Chinese Zee. Wie die aanvoer veilig wil stellen moet de aanvoerroutes in handen hebben, is de Chinese gedachte.

Maar de Chinezen zijn in die afhankelijkheid van vaarroutes niet alleen. Kaplan benadrukt dat het belang van zeeën en oceanen als gevolg van de globalisering sterk is toegenomen: de sterkere verbondenheid van landen en economieën concretiseert zich in meer aanvoerlijnen, vaarroutes en havens. En – paradoxaal: in grotere rivaliteit en spanningen, omdat iedereen die lijnen wil veiligstellen tegenover de ander.

In en rond de Zuid-Chinese Zee speelt dat in het kwadraat. Het belang van deze waterplas als aanvoerroute van olie en gas zal voor de aangrenzende landen alleen maar groter worden en daarmee ook de onderlinge rivaliteit.

Onderlinge rivaliteit? China ziet dat anders. Het domineerde immers eeuwenlang de regio volgens het ”tribuutsysteem”. Dat is een politieke orde waarin omringende landen ondergeschikt waren aan de Chinese keizers en in ruil daarvoor ruimte kregen om economisch voort te bestaan.

Nu China onder president Xi Jinping opnieuw keizerlijke allures krijgt, duikt dat oude systeem weer op als ordeningsprincipe in de regio, en niet het laatst in en rond de Zuid-Chinese Zee. Juist daar heeft deze vorm van Chinese pacificatie iets aantrekkelijks omdat het er nu zo’n ”cauldron”, zo’n heksenketel, is.

‘Koeientong’

De claims van aangrenzende landen op bezit van delen van de zee, van eilanden en rotspunten zijn zó talrijk en overlappen elkaar dusdanig dat een nette oplossing onmogelijk lijkt. Dat vinden de Chinezen ook, en mede daarom verdedigen ze hún alternatief met verve: handhaving van de ‘koeientong’ (de term wijst op de vorm van het te claimen zeegebied), of de ‘negen-streepjeslijn’ (nadruk op de markering ervan). Het komt neer op Chinese overheersing van vrijwel de gehele Zuid-Chinese Zee.

Of dat ook een nette oplossing is? Nee, vinden de Amerikanen, en met hen de meeste Oost-Aziatische landen.

Überhaupt moet de Chinese overheersing van Oost-Azië worden tegengegaan, vinden de VS en hun bondgenoten, omdat finlandisering er het regelrechte gevolg van zal zijn: buurlanden zijn straks in naam nog onafhankelijk, maar lopen in werkelijkheid aan de leiband van China.

Verder bepleiten de Amerikanen –en, alweer, ook hun niet-Chinese bondgenoten in de regio– dat de internationale gemeenschap en wereldeconomie baat hebben bij vrij verkeer van transport, van schepen en vliegtuigen, van informatie, van uitwisseling (van wat dan ook) in het algemeen. Het grote belang daarvan geldt in het bijzonder voor de Zuid-Chinese Zee, waar jaarlijks vele tienduizenden schepen doorheen varen.

Hoe houdt Amerika als niet-Aziatische grootmacht (en dus op afstand) China in het gareel? Die vraag klinkt als een noodkreet van iemand die een losgeslagen rotsblok probeert tegen te houden en daar bijna onder bezwijkt. Het antwoord is dan ook helder: enkel Amerikaanse militaire overmacht houdt China in de regio op zijn plek. Dat betekent ook militaire bondgenootschappen met China’s buurlanden (zoals met Taiwan, Japan en Zuid-Korea), of op zijn minst veiligheidsafspraken met regeringen. Het houdt ook het hebben van militaire bases in, binnen of even buiten hun grondgebied.

Halve boog

Wie de kaart van Oost-Azië bekijkt, ziet dat de Amerikanen daarin aardig zijn geslaagd: pro-Amerikaanse buurlanden liggen ten oosten van China als een halve boog om het Chinese vasteland, met daartussen onzichtbaar ook nog eens de vlooteskaders, de dagelijkse surveillances vanuit de lucht en de vele militaire oefeningen op en vanaf bases.

Vanuit deze situatie bezien klinkt iedere Amerikaanse dreiging van oorlog tegen een land als Noord-Korea in Chinese oren als een poging om Pekings ambities verder terug te dringen.

Maar een oproep tot naleving van aangescherpte sancties tegen Kim Jong Un is ook tegen China’s wens, omdat ook die Noord-Korea onderuit kunnen halen, waarmee een voor China belangrijke anti-Amerikaanse buffer wegvalt.

Hoe dan wel de Noord-Koreanen nucleair te ontwapenen? De Chinezen weten het: de Amerikanen zelf moeten militair inbinden, op het Zuid-Koreaanse deel van het schiereiland bijvoorbeeld. Zou het toeval zijn dat deze ‘oplossing’ van het Noord-Koreavraagstuk de Chinezen ook zelf wel goed uitkomt (en de Amerikanen juist daarom niet)?

”Fire and fury” zo gek nog niet

Dreigende oorlogstaal vanuit de VS aan het adres van Noord-Korea was er al eerder en had toen een positief resultaat. In 2003 dreigde president Bush ook met militair optreden en het effect daarvan was dat China voor het eerst in beweging kwam. Dat noteert Andrew Scobell in ”China and North Korea. Bolstering a Buffer or Hunkering Down in Northeast Asia?”, een paper die eerder dit jaar werd uitgebracht door de Amerikaanse denktank Rand Corporation in de serie ”Testimonies”.

China’s belangen op het Koreaanse schiereiland zijn samengevat in de ”drie nee’s”: geen oorlog, geen kernwapens, geen chaos.

Handhaving van vrede en stabiliteit op het Koreaanse schiereiland –dat is: op de stoep van China– wordt vanouds belangrijker geacht dan nucleaire ontwapening van Noord-Korea.

De bufferfunctie van Noord-Korea tegenover Amerikaanse opdringerigheid werd hoog gewaardeerd, en wat werd gevreesd was (en is) de instroom van vele honderdduizenden Noord-Koreaanse vluchtelingen in China zodra er in hun vaderland oorlog en chaos zouden ontstaan.

Tegelijkertijd vormt Kims kernwapenprogramma ook voor de Chinezen een hoofdpijndossier omdat het de Amerikanen uitdaagt tot een militair antwoord dat ook bedreigend is voor China zelf.

In 2003 dreigden er ”drie ja’s” te ontstaan vanwege oorlogsdreiging tegenover Noord-Korea vanuit Amerika. Peking huiverde bij de gedachte dat het regime zou worden aangevallen en stelde de VS en toenmalig dictator Kim Jong Il (de vader van Kim Jong Un) voor rond de tafel te gaan zitten.

De passieve lauwe opstelling van de Chinezen is dus te doorbreken met oorlogstromgeroffel. Sommige waarnemers zien in het ”fire and fury” van president Trump, waarmee hij met oorlog dreigde, zo’n zelfde effect bij de Chinezen en beoordelen zijn woorden daarom positief.

Van 2003 tot 2007 werd onder leiding van China het zogenaamde zespartijenoverleg gehouden, waaraan Noord-Korea, de VS, China, Zuid-Korea, Rusland en Japan deelnamen. Onderling wantrouwen en sluw onderhandelen van de Noord-Koreanen zorgden er uiteindelijk voor dat het overleg op niets uitliep.

Vanwege Trumps oorlogstaal en de angst bij China voor escalatie zijn de kansen op overleg weer toegenomen. Wellicht heeft Kim Jong Un er ook zin in: nu hij bijna beschikt over intercontinentale raketten met kernkop (er moet nog het een en ander getest worden) heeft hij een prima onderhandelingsmiddel in handen. Immers: niet het bezit, maar het ontwikkelen van kernwapens maakt iemand aan de overlegtafel sterk. Zoals de Hongaars-Amerikaanse kenner van de internationale politiek George Friedman eerder deze week schreef voor de denktank RiskHedge onder de titel: ”Noord-Korea maakt zich klaar voor de grootste onderhandelingsronde in zijn geschiedenis”.

Amerika’s suprematie in Azië

Met een duur woord heet het ”forward deployed presence” (vooruitgeschoven militaire aanwezigheid): Amerikaanse gevechtskracht buiten de grenzen van Amerika.

Wereldwijd hebben de VS 800 van zulke militaire bases, verspreid over meer dan 70 landen.

In Azië en de West-Pacific (het westelijk deel van de Stille Oceaan) zijn meer dan 154.000 militairen gestationeerd. Met burgerpersoneel erbij komt het aantal op 330.000. Er zijn 49 belangrijke bases in Japan, Zuid-Korea, Australië, Singapore, op het eiland Guam, de Marshall-eilanden en de noordelijke Mariana-eilanden. Kleinere bases zijn er in Thailand, Cambodja en de Filipijnen.

Maar liefst vijf vliegdekschepen met hun eigen gevechtsgroep van oorlogsschepen varen er rond – een totaal van 180 vaartuigen en 1500 vliegtuigen. Twee derde van de gevechtskracht van het Amerikaanse korps mariniers is in deze regio samengebracht, meer dan de helft van de gevechtskracht van de Amerikaanse marine.

Deze wereldwijde aanwezigheid is bedoeld als zichtbare en (indien nodig) voelbare manifestatie van Amerika’s wereldwijde militaire overwicht.