Drie doden op de Katwijkse gekkenlogger

De logger KW 171. Foto scheveningen-haven.nl scheveningen-haven.nl

KATWIJK. Lange tijd was het een groot taboe binnen de Katwijkse gemeenschap: de drie dood­slagen op de logger KW 171, in de volksmond ook wel de ‘gekken­logger’ genoemd. Psycholoog Joop Burgerhout (60) bracht de feiten boven tafel en blikt terug, precies honderd jaar na de morbide gebeurtenissen op de boot.

Het moet een vreselijk gezicht zijn geweest: een zwalkend schip zonder mast voor de kust van Engeland, met tien opvarenden –allemaal onder het bloed– luidkeels psalmen zingend.

Zo worden de tien resterende bemanningsleden van de KW 171 op 13 september 1915 door een passerend schip aangetroffen. De vissers worden in Hull in de cel gezet en maken de bewakers daar horendol met hun gezang. De volwassen vissers eindigen uiteindelijk in psychiatrische verpleeghuizen in Oegstgeest en Medemblik. De jongsten, 11 en 12 jaar oud, mogen vanuit Hull direct naar huis.

Het schip was halverwege augustus 1915 uitgevaren met dertien bemanningsleden aan boord. Klaas Kuyt, Pieter van Duyn en Jacob Jonker zouden nooit meer terugkeren. Ze zijn alle drie op volle zee om het leven gebracht.

Gefascineerd

Katwijker Joop Burgerhout, heden ten dage docent aan de Hoge­school Leiden, was als jongere al gefascineerd door de zogeheten gekken­logger. „Mijn moeder kende een van de opvarenden. Er was bijna niets over de gebeurtenissen bekend. Heel mysterieus.”

Toen Burgerhout godsdienst­sociologie studeerde aan de Universiteit Leiden wilde hij op het onderwerp promoveren. Toen daar niets van terechtkwam, werd het zijn hobby. Acht jaar onderzoek resulteerde in 2000 in het boek ”De gekkenlogger of de heiliging van Arie Vlieland”.

Dat er tot op dat moment weinig bekend was over de gekkenlogger, kwam niet alleen doordat de opvarenden er nooit meer over hebben gesproken, maar ook omdat de Katwijkse gemeenschap er het zwijgen toe deed. „Dat was geen schaamte, maar angst”, zegt Burgerhout. „De heersende gedachte was: als het deze mannen kon overkomen, kan het ons óók overkomen. De vissers waren volkomen normale Katwijkers.”

Eén keer eerder was de logger met dezelfde bemanning uitgevaren en weer veilig teruggekeerd. Pas na de tragische tweede reis drong het tot familieleden door dat er na de eerste reis al iets was veranderd. „De opvarenden waren kerkelijk, maar niet buitengewoon religieus. Tijdens de eerste reis werd er onderling veel over het geloof gesproken. Na terugkomst hielden de vissers zich opeens heel erg bezig met Bijbellezen.” En Van Duyn, die bij de tweede reis zou omkomen, had een portretfoto van zijn schoonvader vernietigd omdat hij hem als ongelovige zag.

De eerste paar weken van de tweede reis verlopen normaal. Er wordt gevist, maar niet heel veel gevangen, en er wordt nog steeds veel gesproken over het geloof. Het tij keert wanneer Van Duyn in een kleine haai de duivel meent te zien. Met een bijl vermorzelt hij het beest. Daarna beweert Jonker dat hij in de hemel was geweest. De 27-jarige Arie Vlieland, een grote, charismatische man, claimt ten slotte de Heere Jezus te hebben gezien.

Vier dagen achtereen wordt er gebeden, gezongen en door Vlieland gepreekt. Gevist wordt er niet meer, de sfeer is open en eensgezind, en meer visioenen volgen. Vlieland neemt de leiding en wil met de logger koers zetten „naar het hemelse Jeruzalem.”

Klaas Kuyt, een oud-klasgenoot van Vlieland, is de eerste die begint te twijfelen. Van Duyn wordt razend en brengt Kuyt op brute wijze om het leven.

Wanneer Van Duyns razernij is weggeëbd, weet ook hij het allemaal niet zo zeker meer. Ook hij wordt als ‘afvallige’ gedood, door Jonker, waarna het bizarre tafereel zich nogmaals herhaalt. Jonker wordt nuchter, waarna Vlieland van hem eist dat hij voor hem knielt. Als Jonker dit weigert, wordt hij door Vlieland gedood. Twee dagen later wordt de boot aangetroffen vlak voor de kust van Engeland.

Geen van de opvarenden heeft ooit nog over de gebeurtenissen gesproken. Op Arie Ros senior na, die op zijn sterfbed zei: „Ik heb hen niet kunnen tegenhouden.”

Hoewel de gekkenlogger in Katwijk onder sommige ouderen 
nog altijd gevoelig ligt, zijn de meeste Katwijkers volgens Burgerhout „opgelucht” dat de feiten bekend zijn. Zo werd Vlieland altijd gezien als de grote boef, terwijl twee van de slachtoffers (Van Duyn en Jonker) zelf ook dader bleken te zijn. „Ik heb nabestaanden van de vissers gesproken. Zij waren niet boos, maar juist blij. Katwijkers zijn waarheids­getrouwe mensen. Ze moeten niets hebben van mythevorming.”

In het gesticht worden alle bemanningsleden ontoerekeningsvatbaar verklaard. Er bestaat nog geen tbs, dus zes maanden na terugkomst staan alle vissers weer op straat. Vlieland wordt tuinman en stratenmaker, maar wel in Wassenaar. De pesterijen en het geroddel in Katwijk waren hem te veel geworden. Burgerhout: „Ik heb wel met hem te doen hoor. Ja, echt. Het was dramatisch.”

De logger wordt weer opgeka­lefaterd, maar betere tijden voor de boot blijven uit: in 1918 vaart de KW 171 op een mijn en vergaat.


„Geen godsdienstwaanzin”

Hoe heeft het op de logger ooit zover kunnen komen? Vaak zijn de gebeurtenissen omschreven als godsdienstwaanzin, maar dat is te simpel, zegt Burgerhout.

„Veel bemanningsleden, zo bleek uit mijn onderzoek, hadden te maken met opgekropte razernij, opgelopen in hun jeugd. Dat het op de logger zo uit de hand liep, was het gevolg van twee dingen: isolatie en afwezigheid van correctie. Het was een toevallige samenloop van omstandigheden die zorgde voor een explosie van geweld. Het geloof werd slechts gebruikt –of misbruikt– om de daden te rechtvaardigen.” Als psycholoog ziet hij die patronen vaker. Alleen niet op een schip.

”De gekkenlogger of de heiliging van Arie Vlieland”, Joop Burgerhout; uitg. Berdikari, Katwijk, 2000; ISBN 90 806042 1 6; 151 blz.; € 34,90.