Deskundigen geven Kamer raad over coronawet

Nederland
Volgens staatsrechtgeleerde Voermans moet de Tweede Kamer in de tijdelijke coronawet een bekrachtigingsrecht krijgen. beeld ANP, Bart Maat

Kan de Kamer al ja zeggen tegen de coronawet van minister Grapperhaus? Deskundigen gaven de justitiewoordvoerders vrijdag aardig wat huiswerk mee.

Van alle partijen in de Tweede Kamer hebben PVV, Forum voor Democratie en Van Haga hun standpunt al bepaald. Het virus is op zijn retour, inperkende maatregelen zijn niet meer nodig, dus nadenken over de beste juridische basis daarvoor is eigenlijk verspilling van tijd.

Nee, zeggen de overige, waaronder ook CDA, CU en SGP, het virus waart nog rond. De benodigde gedrags- en hygiëneregels behoeven echter een betere basis dan de huidige noodverordeningen. Dus toch een wet, maar welke dan?

Kern van de voorgestelde wet is dat deze zorgminister De Jonge machtigt om als eenhoofdig bestuursorgaan de benodigde coronamaatregelen op te stellen. Dat gaat artikel voor artikel: onderwijs, zorginstellingen, hygiëne; alles komt aan bod. Keurig, juichen staatsrechtsgeleerden, want zo komend alle vrijheidsbeperkende maatregelen die de overheid mag opleggen aan de burger netjes in de wet.

Probleem is wel dat De Jonge niet voor elke maatregel een aparte wet hoeft te maken. Een ministeriële regeling volstaat. En die hoeft niet voor advies langs de Raad van State, terwijl de Kamer hooguit een week heeft om op- en aanmerkingen te maken, én geen recht van aanpassing heeft.

Onaanvaardbaar, breid de wet uit met een parlementair bekrachtigingsrecht, gaf de Leidse staatsrechtsgeleerde Voermans de justitiewoordvoerders daarom vrijdag mee. Zijn redenering: als de Kamer nee kan zeggen, móét De Jonge vooraf wel sonderen of zijn regelingen kunnen rekenen op voldoende steun.

Net als voor Voermans is ook voor zijn Groningse collega Wierenga, die gespecialiseerd is in noodrecht, één aspect van de wet onbestaanbaar: artikel 58s. Daarin staat dat De Jonge bij onvoorziene omstandigheden ook „andere maatregelen” mag treffen dan de in de wet genoemde. Zo’n vangnetbepaling gaat veel te ver, vindt Wierenga. Elk wetsartikel moet minimaal noemen welk grondrecht er wordt ingeperkt én in hoeverre én met welke maatregel.

Afgaand op dat criterium blijkt dat ook bij de artikelen 58j (over hygiëne) en 58q (over onderwijsinstellingen) de nodige vragen te plaatsen zijn. Duidelijk is over welke rechten ze gaan, maar een nadere afbakening is dringend gewenst, vinden beide juristen. „Een minister moet onderwijsinstellingen kunnen sluiten. Maar hij kan niet in zijn eentje gaan bepalen of ik wel of geen hoorcolleges mag geven en of studenten wel of geen toegang hebben tot examens”, roept Voermans uit.

Consequentie van de wet is dat het coronabeleid landelijk wordt vastgesteld. Het is aan burgemeesters om te bezien of ze lokaal ontheffingen geven, voor bijvoorbeeld bruiloften. Zet duidelijker in de wet dat ze dat wel moeten doen in overleg met college en gemeenteraad, is het advies van de Nijmeegse burgemeester Bruls, tevens voorzitter van het Veiligheidsberaad, en zijn Tilburgse ambtsgenoot Weterings. De twee vragen zich bovendien af hoe Grapperhaus de regionale afstemming denkt te verankeren. „Het sluiten van een café waarin het virus heeft rondgewaard blijft de bevoegdheid van de voorzitter van de veiligheidsregio”, brengt Bruls in herinnering. „Dat vereist overleg.”

Nog een bron van zorg: wie bewaakt de uniformiteit van de gemeentelijke regels? Bruls: „We moeten niet hebben dat mensen die een loopje nemen met de regels van de ene gemeente naar de andere gaan.”