Water, mest en liefde voor een bloeiende tuinplanten-top drie

Wonen en Leven Zuidwest-Nederland
12

Altijd bloeit er wel iets in de tuin van ‘florafiel’ Patricia Niewold. Ook nu. Hier witte helleborus, daar gele aconiet, in het gras paarse krokus, in de lucht roze prunusbloesem. De Zevenhuizense houdt van kleur. Ook van bruine hortensia’s? „Ja, maar er moet nog wel wat gebeuren!”

Ruim een kwarteeuw wonen Patricia en haar man inmiddels in de polder van Zevenhuizen. Achter hun woning bevinden zich een grote vijver en een vaart, voor heeft het stel een wijds uitzicht over weilanden en kassen. Toen ze het huis kochten, was het omringd door gras. Nu is er echter geen plekje zonder flora meer te bekennen. Dat ging echter niet zonder slag of stoot...

Patricia: „Voor de verhuizing wist ik al: dat gras gaat eruit. Van jongs af aan heb ik liefde voor tuinieren. Mijn ouders hadden een vrij grote tuin, maar deden er weinig mee. Mijn vader hield een moestuin bij, maar dat was het wel zo’n beetje. Ik was meer van de kleurige, bloeiende planten. Op mijn achtste of negende liep ik al met zakjes zaad door de tuin, die ik uitstrooide waar ik wilde.”

Inspiratie

Nadat ze stopte met werken, werd ze lid van de vereniging Groei en Bloei Gouda. Ze bezocht lezingen, deed mee aan workshops en maakte –samen met haar man– heel wat tuinreizen. Daardoor deed ze genoeg inspiratie op en het kon dan ook niet anders of het gras rond het huis moest plaatsmaken voor iets anders, iets fleurigers.

„Het begon allemaal met de voortuin”, herinnert Patricia zich. „Die moest toch op de schop, omdat we een aansluiting op het riool kregen. Ik heb in die tijd heel veel planten gekocht. Op beurzen van Groei en Bloei, in tuincentra. Ook kreeg ik veel cadeau. Alles wat ik mooi vond, zette ik in de grond. Een uitgewerkt plan had ik niet. Als het maar fleurig en sterk was, want ik houd van kleur om mij heen en ik wil niet te veel gedoe met het aanbrengen van bescherming. Natuurlijk stek ik niet-winterharde plantjes, maar als iets dood gaat, dan gaat het maar dood.”

De bonte mengeling van planten, struiken, bloemen, bomen en gewassen oogt absoluut niet strak. Toch is er wel een zekere ordening aanwezig. „Noem het maar landelijk, een beetje Engels”, aldus Patricia. „Wij houden niet zo van afgebakend en precies en keurig. Ik maak mijn tuin ook niet winterklaar. Ik laat het rommelig, zoals het in de herfst is. Beesten vinden dat fijn. We hadden er de afgelopen winters weer veel: egels, een fazant. Pas vanaf half februari ben ik weer een uurtje per dag in de tuin te vinden: wat dood hout en verdorde bloemen verwijderen. Snoeien doe ik pas als de ergste vorst voorbij is. Eind maart, begin april.”

De indeling van de voortuin is al meerdere keren veranderd: bevatte hij eerst acht buxusvakken, nu zijn er nog drie vlakken over. En misschien komt er binnenkort wel weer een metamorfose aan... Patricia: „Ik vind de tuin vanaf de straat mooi, maar vanuit de kamer niet zo.”

Verbindingen

Als ze alles opnieuw zou mogen inrichten, zou ze het wel iets anders aanpakken. „In ieder geval maakte ik dan van tevoren een goed plan. En misschien zou ik iets meer verbindingen tussen de verschillende delen aanbrengen. Met behulp van grassen, bijvoorbeeld. Strak zou het alleen nooit worden. Ik houd er bijvoorbeeld niet van om kleur bij kleur te zetten.”

Tijd om in de tuin te kijken. De rondleiding start aan de voorkant. Al snel blijkt dat er van het gras dat er eerst lag, helemaal niets over is. Het heeft plaatsgemaakt voor onder meer geel bloeiende aconieten, paarse krokussen, witte sneeuwklokjes en hortensia’s, met de bruin verdorde bloemen er nog aan. Patricia: „Ik zal ze er in maart eens afknippen.”

De hortensia staat overigens in de top drie van best verkochte tuinplanten in Nederland, als je het jaarverslag van Royal Flora Holland mag geloven. Patricia snapt wel waarom: „De plant is sterk, bloeit bijna het hele jaar en heeft weinig onderhoud nodig.”

De twee andere planten in de top drie –kerstroos en lavendel– heeft de Zevenhuizense verderop staan. „De kerstroos heb ik in meerdere varianten. Kijk, hier een witte met vijf bloembladen en een groen hart.” De helleborus glimlacht naar zijn verzorgster. „Aan de achterkant staan een paar exemplaren met een dubbele bloem.”

Ook nu snapt ze dat de plant geliefd is bij de Nederlandse tuinierder. „Hij is een van de weinige die zo vroeg in het jaar bloeien. Tussen december en maart, ongeveer. In de zomer vind ik het trouwens een lelijke plant. Door zijn blad. Dat wordt na de bloei bruin. Ik knip het altijd zo snel mogelijk af. Soms al tijdens de bloei. Dan komen de bloemen veel mooier uit!”

Lavendel heeft aan de zijkant van het huis een plek gekregen. De plantjes staan in een mooie cirkel rond een berkenboom. Ze bloeien nog niet, maar wanneer ze bloeien... „Dan zien ze er prachtig uit en geuren ze ook nog eens heerlijk”, aldus Patricia. Logisch dat lavendel dus ook zo goed scoort. „Hij is wel een beetje bewerkelijk. Je moet hem zeker twee keer per jaar snoeien: in maart en na de eerste bloei in augustus. Als je geluk hebt, bloeit hij dan nog een tweede keer.”

De spierwitte sneeuwklokjes en de felpaarse krokussen fleuren de treurig-grijze lavendelplantjes een beetje op.

Villa Kakelhof

Aan de andere zijkant van het huis ligt ”Villa Kakelhof”. Flora en fauna leven hier min of meer harmonieus bij elkaar. „De kippen vreten alles op waar ze bij kunnen, alleen de buxushaag laten ze met rust. Nou ja, ze vreten de buxusmotrupsen op. De heggetjes hier zijn de enige die nog groen zijn. De overige zijn allemaal aangetast en bruin”, vertelt Patricia. „Wat ook tegen de larven schijnt te helpen, is de aanplant van lavendel. De beestjes zouden niet tegen de geur kunnen.”

Aan de achterzijde van de woning, op een smalle strook langs het water groeien spruitjes en bramen. De eerste zijn al zichtbaar, de tweede komen pas aan het einde van de zomer tevoorschijn. Ernaast staat een rij stokken; ze zien er kaal en doods uit. Wat is hun functie? Patricia: „Hier plant ik later in het jaar mijn dahliaknollen. Die liggen nu nog op zolder te overwinteren. Ik pot ze op in maart en dan kunnen ze in mei de grond in.”

Iets dichter bij het huis bevindt zich nog een moestuin. Die bevatte eerst buxushaagjes om de groenten en kruiden van elkaar te scheiden, maar omdat ze te groot werden, moest een aantal weg. Toen de buxusmot Zevenhuizen bereikte, werden de overige bruin. „Behalve die bij de kippen, dus.”

De moestuin bevat tegenwoordig onder meer aardbeien. De plantjes liggen nu nog onder een laagje dennentakken om ze te beschermen tegen de kou. De enorme vijg erachter heeft dat niet nodig: hij staat mooi beschut. Patricia: „Hij geeft ons elk jaar honderden vruchten. Ik maak er jam van. Heerlijk! O, die aflegger daar, moet ik binnenkort snoeien. Even onthouden.”

Maria Thun

Voor de verzorging van groente, fruit en kruiden in de moesttuin probeert Patricia zich zoveel mogelijk te houden aan de zaaikalender van Maria Thun. Deze tuindeskundige adviseert wat de beste tijd van zaaien, verplanten, oogsten en snoeien is, op grond van de stand van de maan. Bij volle maan zouden planten iets harder groeien doordat er extra licht beschikbaar is. Sommige mensen denken dat ook de zwaartekracht van de maan invloed op het groeiproces heeft.

Kort samengevat geven Thunaanhangers de volgende tips: bij volle of nieuwe maan niets doen, bij wassende maan bladgroenten en bloemen zaaien en bij afnemende maan wortelgewassen planten. Patricia’s man blijft er nuchter onder. „Ik proef geen verschil of je nu mét of zonder die kalender tuiniert.”

Schuin achter de moestuin verrijst een kleine kas. „Mijn werkplek”, aldus Patricia. Binnen is het een graad of twintig. Tientallen potten en bakjes met planten smeken om aandacht. Hun verzorgster checkt de vochtigheid van de aarde, snoeit hier en daar een takje weg en geeft de salvia’s wat extra water.

Via een strak geleide druif en een perenboompje aan de zijkant van het huis komt de route weer bij de voorkant van het huis uit. Uit de rondleiding blijkt dat het hebben van een fleurige, gevarieerde tuin mooi is, maar dat die ook heel wat onderhoud nodig heeft. Het resultaat van één middagje tuinieren staat in twee enorme, nylon zakken te wachten op transport naar de groenstort. En dat is nog maar het topje van de snoeiberg.

Bovendien hebben de vele bloemen, bomen en planten ook voeding nodig. En niet een beetje... „Twee aanhangers koemest zijn er wel nodig voor onze sier- en moestuin”, vertelt Patricia’s man.

Heeft het stel nooit overwogen om wat meer tegels neer te leggen? Dat scheelt nogal wat onderhoud! Patricia: „Nee! We hebben nooit gebaald van het vele werk dat onze tuin met zich meebrengt. We vinden tuinieren erg ontspannend. Als we vrij zijn, zijn we meestal in de tuin te vinden, maar als we weg willen, gaan we ook weg. We zijn nooit slaaf van onze tuin geweest en dat willen we ook nooit worden.”

Dahlia’s stekken

Maart is te vroeg om dahlia’s in de tuin te planten, maar je kunt ze dan al wel oppotten en de stekken in mei oogsten en planten. Volg de volgende stappen.

Snijd ingedroogde delen van de knollen weg. Splits heel grote exemplaren voor je ze oppot. Zorg ervoor dat er een stukje van de kraag of hals blijft zitten. Pot de dahlia’s op in goede potgrond. Gebruik diepe potten en strooi een laag van 5-10 cm als basis. Zorg ervoor dat de kraag net onder het oppervlak verdwijnt. Zet ze op een lichte, warme plek en houd ze vochtig. Gebruik de uitlopers na een week of drie als stekmateriaal, als ze minimaal twee bladparen hebben gevormd. Verwijder de stekken tot vlak boven de kraag. Steek elke stek tot net onder het eerste bladpaar in potten met zaaigrond. Houd de aarde vochtig. Dek de stekken eventueel af met doorzichtige plastic zakjes.

tuinseizoen.com/dahliasstekken/