Waak tegen juridisering van kerkelijk recht

De kerk moet ertegen waken dat geschillen binnen de kerkelijke gemeenschap op een wereldlijke wijze worden uitgeprocedeerd.  beeld iStock

Het eigensoortige van het kerkrecht en het geestelijke karakter daarvan brengt met zich mee dat de kerk zich niet in alle opzichten hoeft te richten naar wat in het wereldlijk recht van toepassing is.

Ambtsdragers moeten zich verdiepen in de kerkelijke rechtsgang, gebaseerd op de Dordtse Kerkorde (DKO), waarmee niets mis lijkt te zijn. Dat stelt mr. P. J. den Boef in zijn opiniebijdrage (RD 27-12). In zijn artikel richt hij zijn kritiek op de kerkelijke rechtsgang.

2018-12-27-OPN1-Kerkelijke_rechtsgang-6-FC-V_webMaak werk van cultuuromslag in kerkelijke rechtsgang

Als we zijn artikel lezen, dan lijkt het alsof er van die kerkelijke rechtsgang niets deugt. In allerlei opzichten wordt er volgens hem onzorgvuldig gehandeld en kennen de betrokken ambtsdragers hun eigen kerkelijke rechtsgang niet of onvoldoende, waardoor er veel mis gaat. Dat te suggereren, is naar mijn mening buiten de werkelijkheid. Door zijn kritiek zo breed te verspreiden, geeft hij een argeloze RD-lezer het onbehaaglijke gevoel dat er inderdaad veel mis is in de kerkregering. Maar dat wil mr. Den Boef toch niet bereiken? In een tijd waarin de positie van de ambten toch al sterk aan erosie onderhevig is, draagt een bijdrage als deze niet echt positief bij.

Binnen de beschikbare ruimte is het niet te doen om op elk punt afzonderlijk te reageren. Ik zal me daarom beperken tot de eigen aard van het kerkrecht, zoals dat gestalte heeft gekregen in de DKO.

Rechtsregels

Mr. Den Boef stelt een aantal behartigenswaardige zaken aan de orde. Het is uiteraard van wezenlijk belang dat ouderlingen (waaronder de DKO ook de predikanten vat) zich terdege verdiepen in de rechtsregels van de kerk. Daarbij gaat het om de inhoud en om de toepassing. Binnen de kring van de Gereformeerde Gemeenten wordt daarvoor de nodige toerusting gegeven. Dat is en blijft nodig. Ook nieuwe ambtsdragers moeten zich in de eigen rechtsregels verdiepen en die kunnen toepassen.

Het toepassen van de DKO als een vierhonderd jaar oud document vraagt in een veranderende samenleving voortdurend bezinning op de inhoud van de eigen rechtsorde en op een adequate toepassing daarvan. Die rechtsorde zal wel moeten blijven binnen de grenzen van de Schrift en de belijdenis. Ook bij de toepassing daarvan zijn Gods Woord en de belijdenis leidraad.

Dat aspect is voor de kerk van zwaarwegend belang. Dat brengt de volgende overwegingen met zich mee, die ik in het artikel van mr. Den Boef node mis.

De erfenis van Dordt biedt de kerk houvast ter voorkoming van uitwassen. Artikel 22 en 23 van de DKO voorzien immers in het ambt van ouderlingen. Het klassieke bevestigingsformulier beschrijft een van de doelen van hun dienen zo Bijbels gefundeerd: „...teneinde daardoor uit de gemeente Gods te meer geweerd worde alle tirannie en heerschappij, die lichter kan inbreken wanneer bij één alleen, of bij zeer weinigen, de regering staat...” Zo blijft een kerkenraad in evenwicht.

Bovendien voorzien de artikelen 41, 47 en 50 in de bredere vergaderingen. Mocht het op kerkenraadsniveau mis lopen, dan berust in die vergaderingen de ons bekende route tot correctie. In tegenstelling tot wat mr. Den Boef betoogt, functioneert die correctiemogelijkheid ook. Dat hij andere ervaringen heeft, moge zo zijn, maar dat is nog geen reden om een zo algemeen beeld op te roepen.

Vrijheid

Mr. Den Boef schijnt te vergeten dat de kerk nog steeds de vrijheid heeft om zelf kerkelijke rechtsregels vast te stellen. Naar artikel 2.2. van het Burgerlijk Wetboek worden kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, geregeerd door hun eigen statuut, voor zover dit niet in strijd is met de wet. Het kerkrecht heeft dus een eigensoortige plaats. Ambtsdragers hebben de roeping om aan Schrift en belijdenis het hoogste gezag toe te kennen en daarnaar hun handelingen te normeren, en niet te vervallen in daarvan afwijkende of zelfs daarmee strijdende patronen van wereldlijk recht. Dat vraagt voortdurend bezinning, maar neemt niet weg dat het eigen karakter van de kerk niet uit het oog mag worden verloren.

Dat de kerk daarbij waakt tegen wat we wel noemen een verdergaande juridisering van het kerkrecht heeft met die eigen plaats te maken, maar ook met het geestelijke karakter van het kerkrecht. Dat wil zeggen dat de kerk ertegen moet waken dat geschillen binnen de kerkelijke gemeenschap op een wereldlijke wijze worden uitgeprocedeerd. Daartegen waarschuwt de apostel Paulus in 1 Korinthe 6.

Burgerlijke rechter

Ik wil daarmee niet beweren dat er door kerkenraden en ambtsdragers altijd op deze Bijbelse wijze wordt gehandeld. Soms ontkomt men er zelfs niet aan, omdat gemeenteleden de burgerlijke rechter inschakelen om in een kerkelijke zaak hun gelijk te krijgen. Het niet op de juiste wijze verstaan van het geestelijke karakter van het kerkrecht leidt er soms al te gemakkelijk toe om dan maar de burgerlijke rechter in te schakelen.

In de kerk gaat het niet om eigen standpunt of mening, eigen gelijk, maar om het dienen van het geheel. Dat principe moet doorwerken in alle kerkordelijke zaken.

Het eigensoortige van het kerkrecht en het geestelijke karakter daarvan brengt ook met zich mee dat de kerk zich niet in alle opzichten hoeft te richten naar wat in het wereldlijk recht van toepassing is. Zo is het bijvoorbeeld aan de kerk om te bepalen door wie een appellant zich mag laten vergezellen in een zitting waarin hij gehoord wordt.

Advocaat

Als mr. Den Boef schrijft: „Een advocaat moet (...) namens zijn cliënt het woord kunnen voeren”, dan zijn we juist blij dat in het door de Gereformeerde Gemeenten gehanteerde boekje ”In Goede Orde” (blz. 59) de oproep staat dat de behandeling van zaken op een kerkelijke vergadering niet terechtkomt in een wereldlijke, juridische sfeer. Dit in lijn van de DKO, artikel 30. Het is geen cliënt die spreekt, maar een gemeentelid, die zich zo nodig kan laten bijstaan.

Ik zal de laatste zijn om te beweren dat het in het kerkelijke leven altijd gaat zoals het zou moeten gaan. Helaas niet. Maar het artikel van mr. Den Boef doet mijns inziens ernstig tekort aan de voortdurende inspanningen van kerkenraden en ambtsdragers om de eigen regels zorgvuldig op geestelijke wijze toe te passen, met het oog op het behoud en het geestelijke welzijn van de leden van de kerk en vooral met het oog op de eer van God.

De auteur is emeritus predikant in de Gereformeerde Gemeente en auteur van ”Gereformeerd kerkrecht in kort bestek”.