Twee graven in september

Zacharias Ursinus schreef het boekje ”Erinnerung”, toen in 1563 de stad Heidelberg vol was van stervende en gestorven mensen, geteisterd door de pest. Foto: het oude stadscentrum van Heidelberg, gezien vanaf het kasteel. beeld RD

”Een zoon begraaft zijn vader”, zo heet de roman van H. M. van Randwijk uit 1938. Tot voor kort kende ik de in deze titel verwoorde werkelijkheid niet. Sinds een maand wel. Die zoon ben ik. Die vader was mijn vader. We hebben hem in de eerste week van september moeten begraven. Want de doden kunnen bij de levenden niet zijn.

Over mijn vader zelf zal ik nu niet schrijven, dan alleen dat hij een biddende en hunkerende vader was. Als hij erover sprak, was het dat zalig worden een wonder is. Op Psalm 54 bijvoorbeeld („O God, verlos mij uit de nood...”) had hij een bijzondere betrekking. Opmerkelijk, ”Allein zu Dir, Herr Jesu Christ...” was zijn meest geliefde koraal, dat hij als organist in of na de kerkdienst dan ook heel wat keren vertolkte. Zijn binnenste klonk erin mee. Nee, over mijn gestorven vader zal ik nu niet schrijven. Hij zou het niet gewild hebben.

De maand was nog niet ten einde, of ik stond alweer aan een graf. Nu niet op Flakkee, maar in Dordrecht. Enkele dagen eerder was hij gestorven: Jan Pieter van den Tol. Na veel jaren van ziekte, zwakte en zorgen. Op de avond voor zijn heengaan lazen we in het ziekenhuis met elkaar nog Psalm 121: „Vanwaar zal mijn hulp komen? Mijn hulp is van de HEERE...”

Jan schreef in zijn bewogen leven veel van zich af. Wie het wilde, liet hij erin delen. Dat geeft mij vrijmoedigheid om postuum iets van hem door te geven. „Na het diepe dal van zondagmiddag kon ik niets doen tot ’s avonds laat. Om dan toch de kerkomroep aan te zetten en te horen van de lofprijzing over Christus, mijn Koning. Die mij steeds na elke val of beproeving doet opstaan om te zien en te ervaren wat een Koning Hij is, bij de gratie Gods. Ook heb ik nog nagedacht over de kenmerken van God als Vader. En kwam tot een gouden alfabet van kenmerken, voor die Hem met heel hun wezen zoeken. Als we dit steeds weer ervaren, dan hebben we een Koning die ook nu nog leeft. En die Zijn opstandingskracht doorgeeft. Het zou eigenlijk met grote nieuwswaarde in de krant moeten staan. Maar zover zijn we nog niet.”

Vandaag dus wel, precies een week na zijn begrafenis. Nee, over Jan van den Tol zal ik verder niet schrijven, dan alleen wat hij als het geheim van zijn leven me eens zei: „Kennelijk houdt God mij vast, en niet andersom ik Hem!” Maar daarmee gaat het niet over hem, maar over Hem!

Ter verwerking van dit alles greep ik afgelopen week naar een klein maar fijn boekje. Het is van de hand van Zacharias Ursinus. Hij schreef het toen in 1563 de stad Heidelberg vol was van stervende en gestorven mensen. Geteisterd door de pest. De oorspronkelijke titel is ”Erinnerung”. “Hoe zich een christen bij het sterven en de begrafenis van de zijnen troosten en hoe hij zich zalig op zijn eigen sterven voorbereiden zal, te allen tijde maar bijzonder nu troostelijk en nuttig.”

Hoe dan? Wel, zegt Ursinus, door twee dingen te beseffen. Allereerst dat er voor wie buiten Christus is, niets vreselijker is dan de dood, en dat sterven geen kleinigheid is. Vervolgens dat de hoogste troost de vergeving der zonden en de verlossing van de eeuwige dood is. Verworven door het sterven en de opstanding van Christus. Een wonder is het: zalig worden.