Tussen slaafse volgzaamheid en woest populisme

Essays Spruyt
Jesse Klaver (voorgrond) en Zihni Özdil (achterste rij, tweede van links) tijdens de uitslagenavond van de Tweede Kamerverkiezingen in 2017. beeld ANP

Het speelt overal, en zeker ook in de politiek: het conflict tussen de vrijheid van oordeelsvorming en de dwang tot conformisme en uniformiteit. Edmund Burke wijst een uitweg tussen „slaafse volgzaamheid en woest populisme”.

Een man met een dolk in zijn rug maakt zich uit de benen, nagekeken door een man met een baby op zijn buik die zegt het vertrek van de man ”echt balen” te vinden. De cartoon van Bas van der Schot, vorige week in de Volkskrant, vatte de commotie rond het afscheid van GroenLinks-Kamerlid Zihni Özdil goed samen: een Kamerlid was geslachtofferd en genadeloos weggestuurd, en leider Jesse Klaver, die onlangs nog goede sier maakte door heel lief met die baby op z’n buik te gaan stemmen, was hard van zijn sokkel gevallen.

De zaak-Özdil heeft een oude discussie opgerakeld. Özdil, kleinzoon van een Turkse geitenhoeder, groeide op in Rotterdam-Zuid maar schopte het tot universitair docent geschiedenis aan de Erasmus Universiteit en columnist van de NRC. Uit idealisme ging hij de politiek in, voor GroenLinks, de vrijzinnige partij voor vrijdenkers (naar hij dacht). Maar nauwelijks twee jaar later zit Özdil gedesillusioneerd thuis. Gesteund door een motie van het partijcongres sprak hij zich onder andere tegen het leenstelsel voor studenten uit. Ook al was dat stelsel ooit mede door Klaver bedacht. Özdil werd ter verantwoording geroepen, en moest beloven dat hij voortaan met het fractiestandpunt zou instemmen, wat dat standpunt ook was. Dat weigerde hij natuurlijk. Waarna Klaver hem afserveerde met een email aan zijn achterban waarin een onverhulde karaktermoord op Özdil werd gepleegd.

De oude discussie die met dit incident opnieuw op tafel kwam, is deze: is een Kamerlid een persoonlijk gekozen volksvertegenwoordiger die zich „zonder last of ruggenspraak” (Grondwet, art. 67, lid 3), dus vrij en onafhankelijk, op basis van eigen overtuiging, een oordeel vormt, of is hij gebonden aan het standpunt van de partij en de discipline binnen de fractie waarvan hij deel uitmaakt? In ons bestel, met coalities en afspraken en steeds kleiner wordende minderheden, is de dwang tot conformisme en uniformiteit steeds groter geworden, en is het prachtige adagium uit de Grondwet veranderd in „zonder lust of ruggengraat”. Zoals Hans Wiegel dezer dagen opmerkte: „Als een Kamerlid iets over de platvis wil zeggen, moet dat eerst in de viscommissie van de fractie worden besproken. Zo is politiek niet leuk.”

We stuiten hier overigens op een euvel dat zich allerwege voordoet. Zoals Rosanne Hertzberger in haar column in de NRC schreef: „Het gebeurt niet alleen in de politiek. Mensen met ideeën zijn een zeldzaamheid en ik zie steeds hoe ze de mond wordt gesnoerd door krampachtige organisaties en in het gareel moeten van autoritaire leiders. Degene die promotie maakt is degene die het best kan inschikken en inslikken, niet degene met de beste ideeën.”

Hoe het wel moet, is op onovertroffen, klassieke wijze duidelijk gemaakt door de Engelse politicus Edmund Burke (1730-1797). Burke is vooral beroemd door zijn grote werk met ”Bespiegelingen over de revolutie in Frankrijk” (1790), dat zo belangrijk was voor het denken van Groen van Prinsterer en dat pas onlangs voor het eerst volledig in het Nederlands is vertaald (door Jabik Veenbaas, uitgeverij Wereldbibliotheek). Toen Burke in november 1774 door de stad Bristol in het parlement werd gekozen, zei hij dat een volksvertegenwoordiger de wensen en belangen van zijn kiezers zwaar moest laten wegen. „Maar”, voegde hij daaraan toe, „hij moet zijn onbevooroordeelde mening, zijn rijpe oordeel en zijn verlichte geweten niet aan u opofferen. Uw vertegenwoordiger is u niet alleen zijn inzet verschuldigd, maar ook zijn oordeel – en hij dient u niet, maar verraadt u, als hij dat oordeel opoffert aan uw mening.”

Voor Burke was dit standpunt vooral zo belangrijk omdat hij zag hoe twee „gevaarlijke uitersten” zich aandienden (Veenbaas herinnert daaraan in zijn inleiding op zijn vertaling van Burke). Die uitersten zijn de alternatieven van „slaafse volgzaamheid of woest populisme”. Volgzaamheid bestaat in de gehoorzaamheid die partijen en hun leiders eisen om het eigen belang, een deelbelang, te dienen. Vooral bij partijen die deel uitmaken van een coalitie of hopen daarnaar onderweg te zijn (zoals GroenLinks) doet dit principe –of beter: gebrek aan principe– opgeld. Kamerleden die ooit zijn geselecteerd op basis van hun „uitgesproken profiel”, hun vermogen „dwars te denken en tegen de stroom in te roeien” en ook nog eens mediageniek zijn, worden in het keurslijf van het partijbelang, en dus van een deelbelang, gegespt en dienen zich zwijgend onzichtbaar te maken.

Het andere uiterste is dat volksvertegenwoordigers niet naar hun partij luisteren maar naar „de stem van het volk”. Natuurlijk moet die stem serieus worden genomen, en mogen kiezers nooit als een ”bunch of deplorabels” (Clinton) worden weggezet. Maar goede politici zullen het volk nooit naar de mond praten of hun gevoelens van angst en onbehagen onverantwoordelijk exploiteren. Want íedere volksvertegenwoordiger, van welke partij of overtuiging ook, behoort het algemeen belang, het belang van de gehele bevolking, te dienen.

Wat Burke dus wilde was dat volksvertegenwoordigers zich met hun eigen verhaal aan de kiezers zouden presenteren. In het geval van Burke was dat het conservatieve verhaal: de overtuiging dat de mens zelf het probleem is, dat er daarom niets zo belangrijk is als instituties als familie en gezin, kerk en school, dat de overheid niet zozeer een deel van de oplossing als wel een deel van het probleem is, en dat allerlei maatschappelijke kwesties beter in de samenleving zelf kunnen worden opgelost dan door de markt of de overheid. Burke noemde dat de ‘platoons’, de lagen in de samenleving die tussen staat en individu in behoren te staan. Wanneer die verdwijnen valt de samenleving uiteen in hopeloos ronddwalende, verweesde schapen, die alleen nog maar bij elkaar worden gehouden door de regeltjes en de subsidies van de overheid.

Burke vertelde dit verhaal, en zei: „Als u het met deze visie eens bent, moet u op mij stemmen. Als u het niet met mij eens bent, moet u dat vooral niet doen.” En vervolgens wilde hij natuurlijk de vrijheid om die visie in het parlement uit te dragen, wie daar verder ook wat van vond.

Dr. Bart Jan Spruyt doceert cultuur en maatschappij aan hogeschool de Driestar in Gouda en kerkgeschiedenis en apologetiek aan het Hersteld Hervormde Seminarie aan de VU in Amsterdam.