Theologenblog: Vondst in kerk van het heilige graf onderstreept belang van ‘heilige’ plaatsen

Theologenblog
„Keizer Constantijn liet op de rustplaats die door de mensen in Jeruzalem werd aangewezen als het graf van Jezus een plaat leggen en een megakerk bouwen, de kerk van het heilige graf in Jeruzalem. beeld Fotolia

Het is veelzeggend dat christenen de eeuwen door veel aandacht hebben gehad voor de plek die was aangewezen als het graf van Jezus, betoogt Michael Mulder.

Vorige week werd een spectaculaire vondst gepresenteerd die archeologen in de kerk van het heilige graf in Jeruzalem hebben gedaan. Het hart van die kerk wordt gevormd door een monument dat gebouwd is rondom een graf uit de eerste eeuw, dat wordt aangewezen als het graf waarin Jezus van Goede Vrijdag tot de paasmorgen gelegen zou hebben.

Dit monument is vorig jaar gerestaureerd. Dat bood gelegenheid om iets verder te kijken dan de marmeren platen die sinds 1555 de eigenlijke rustplaats bedekten. Die marmeren platen beschermen de vermeende kalkstenen rustplaats van Jezus, die door de aanraking van vele pelgrims dreigde weg te slijten.

Hoe is men op de gedachte gekomen dat juist die graftombe het graf van Jezus moest zijn? De huidige kerk dateert grotendeels uit de twaalfde eeuw en is door kruisvaarders gebouwd op de plaats waar een viertal generaties eerder een kerk gestaan had. Die oudere kerk was aan het begin van de elfde eeuw door de toenmalige islamitische heersers geheel verwoest, inclusief de plaats van de graftombe.

De kerk die verwoest werd, was daar gebouwd op aanwijzing van Helena, de moeder van keizer Constantijn. Zij was in Jeruzalem op zoek naar de plaats van Jezus’ opstanding. Ze werd gewezen op een Romeinse Venustempel die in 135 door keizer Hadrianus was gebouwd, mede om te voorkomen dat die plek door christenen vereerd zou worden. Constantijn liet die Venustempel in 327 afbreken en volgens de traditie werd daaronder inderdaad een graftombe ontdekt. Die bevatte een rustplaats van kalksteen, die door de mensen in Jeruzalem werd aangewezen als het graf van Jezus. Constantijn liet daar een plaat op leggen en er een megakerk omheen bouwen, zodat christenen dicht bij die plaats konden bidden.

Hoe zeker is het nu dat de kerk die in 1149 n. Chr. werd ingewijd inderdaad gebouwd werd op de plaats waar dat graf in 327 werd gevonden?

Hierover kan sinds vorige week geen twijfel meer bestaan. Via radarmetingen ontdekte men vorig jaar onder de marmeren platen uit 1555 nog een andere grafsteen, die op een kalkstenen rustplaats gemetseld was, met daarop een eenvoudig kruis gegraveerd. De specie waarmee die steen is aangebracht, is nauwkeurig onderzocht met een nieuwe techniek (OSL), die kan vaststellen wanneer het kwarts in het metselwerk voor het laatst in zonlicht is geweest. Die berekeningen wijzen uit dat de steen rond 345 moet zijn aangebracht: precies de tijd waarin de kerk door Constantijn gebouwd werd.

De wetenschappelijke verantwoording verschijnt pas in 2018 in het Journal of Archaeological Science, maar dit spectaculaire nieuws werd vorige week al bekendgemaakt: het huidige graf is identiek aan het graf dat Helena ontdekte onder de Venustempel van Hadrianus. Die tempel werd daar gebouwd over een graftombe, die de kinderen en kleinkinderen van degenen die hadden meegemaakt dat Jezus daar is gestorven en opgestaan nog konden aanwijzen.

Hoe belangrijk is zo’n plek? Een nuchter protestants mens heeft er misschien niet zo veel mee. Toch is het veelzeggend dat christenen de eeuwen door hier veel aandacht voor hebben gehad. Niet voor niets werd de graftombe door Hadrianus voor christenen ontoegankelijk gemaakt en later door een moslimheerser verwoest. Tot op de dag van vandaag hebben christenen uit de hele wereld er veel voor over om juist daar dichtbij te kunnen zijn en die plaatsen aan te kunnen raken.

Meer aandacht voor die fysieke nabijheid en lichamelijke aanraking dan wij in onze traditie kennen, hoeft geen verarming van het geloof te betekenen. Integendeel! Daarom organiseert het Centrum voor Israëlstudies samen met prof. Dineke Houtman op 1 februari 2018 in Jeruzalem een conferentie over de relevantie van ”Holy and Hallowed Places in Judaism en Christianity”, met Joodse en christelijke sprekers.

De vondst in de Grafkerk onderstreept het belang om hier ook binnen de christelijke traditie dieper over door te denken. Wat voegt het toe als je precies dáár bent, waar de dood metterdaad overwonnen is? Dat is toch de harde spijker waar het hele geloof aan hangt. Geen verzinsel of theorie, maar verlossing midden in de concrete realiteit van ons bestaan: toen en daar is Christus gestorven en opgestaan. De recente archeologische ontdekking vormt daarvan een mooie illustratie. Als er één plaats is waar die verbinding het meest essentieel is, dan wel in de belijdenis van de lichamelijke opstanding van Jezus.

De auteur is universitair hoofddocent Nieuwe Testament en Judaica aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. Hij schrijft dit blog als lid van de gezamenlijke onderzoeksgroep BEST (Biblical Exegesis and Systematic Theology) van de Theologische Universiteiten in Apeldoorn en Kampen.