Theologenblog: Noachs raaf teken van hoop na totale lockdown

Opinie
Jaap Dekker. beeld TUA, Melle Rozema

Het verhaal over het loslaten van de raaf door Noach is ten diepste een paasverhaal. Om je aan op te trekken in afwachting van het moment dat je zelf weer naar buiten mag.

Als Noach het venster van de ark opent, heeft hij ruim een halfjaar in een lockdown gezeten, opgesloten in een drijvende kist. Hij laat eerst een raaf los (Genesis 8:7). Als aaseter wordt deze vogel vanouds met de dood geassocieerd. Ook in de uitleg van het zondvloedverhaal kan hij vaak geen goed doen. Veel uitleggers menen dat de raaf faalde en dat Noach daarom een duif heeft losgelaten. Toch is het maar de vraag of hun missie dezelfde was. Dat heeft de Griekse Bijbelvertaling ervan gemaakt. Die zegt ook dat de raaf niet meer terugkeerde en dat beeld heeft zich vervolgens in de traditie vastgezet. Meestal wordt verondersteld dat de raaf als aaseter zichzelf wel van voedsel kon voorzien, met al die kadavers na de zondvloed.

De Hebreeuwse tekst zegt alleen dat de raaf heen én terug bleef vliegen totdat de aarde droog was. De negatieve associaties zitten ons bij die raaf danig in de weg, maar misschien hielp deze robuuste vlieger Noach wel primair om zich een beeld te vormen van de weersomstandigheden, voordat hij de kwetsbaarder duif kon loslaten. Stilzwijgend gaat men er vaak vanuit dat de duif wit was; en hoe witter de duif, hoe zwarter de raaf wordt afgeschilderd, als vogel van de dood. Toch gold de raaf in de oudheid ook als boodschapper van de goden. In het Babylonische zondvloedverhaal wordt hij misschien wel daarom pas als laatste uitgezonden, na de vergeefse missie van een duif en een zwaluw.

In de Hebreeuwse tekst correspondeert het heen- en terugvliegen van de raaf („uitgaand en terugkerend”) verrassend genoeg met het geleidelijk terugtrekken van het water (vers 3: „gaand en terugkerend”; vers 5: „gaand en afnemend”). Dit literaire gegeven lijkt aan het vliegen van de raaf een symbolisch betekenis te geven. Zijn missie is niet om te ontdekken of er al land in zicht is. Zelfs als de duif na drie keer gevlogen is (vers 13), blijft de raaf namelijk heen- en terugvliegen. Totdat de situatie van vers 14 is ingetreden en de aarde helemaal droog is. Speculeren over de vraag hoe hij intussen aan zijn voedsel kwam, gaat voorbij aan de tekst. Belangrijker is dat het heen en weer vliegen van de raaf, boven de afnemende vloed, de verwachting levend houdt dat God weer een droge en leefbare aarde schept.

De Engelse oudtestamenticus Walter Moberly verbindt de vlucht van de raaf met het zweven van Gods geest over het water bij het begin van de schepping (Genesis 1:2). Het verhaal van de herschepping na de zondvloed begint namelijk net zo veelbelovend met de geest (NBV: wind) die God over de aarde doet gaan (Genesis 8:1). Een bijbeluitlegger die oog heeft voor de positieve rol van de raaf, vergelijkt hem treffend met een vlag die Noach uitsteekt, zodra hij het venster opent. Een daad van geloof en verwachting na een totale lockdown. Straks zal Noach ook het dak van de ark openen (vers 13). Niet alleen de duif met haar olijftak, maar ook het vliegen van de raaf verbeeldt de hoop dat God de aarde een nieuw gelaat geeft, wanneer Hij zijn Geest uitzendt (Psalm 104:30). Het is ten diepste een paasverhaal. Om je aan op te trekken in afwachting van het moment dat je zelf weer naar buiten mag, ”in een leven dat voorgoed veranderd is” (Sela).

Jaap Dekker is bijzonder hoogleraar bijbelonderzoek en christelijke identiteit. Hij schrijft dit artikel als lid van de gezamenlijke onderzoeksgroep BEST (Biblical Exegesis and Systematic Theology) van de Theologische Universiteiten in Apeldoorn en Kampen.