Tekstkritiek is nuttig, maar niet in de kerk

Tekstkritiek heeft een zinvolle functie in de Bijbelwetenschap, maar niet op de kansel, stelt prof. dr. Benno Zuiddam.

In RD 8-2 stond een interview met een promovendus die de tekstgeschiedenis van 1 Johannes 5:7 onderzocht en concludeert dat dit niet bij de oorspronkelijke tekst hoorde. Een open deur voor theologen. Toch heeft de Kerk het ten minste 1400 jaar lang als Heilige Schrift aanvaard. Hoe moeten we daarmee omgaan? Moet de tekst verwijderd worden uit de Bijbel?

De oorspronkelijke tekst van de Bijbel hebben we niet meer. Tekstkritiek probeert die vast te stellen door de verschillende handschriften te vergelijken. Hoewel tekstkritiek met tastbare documenten werkt, is het een speculatieve en geen exacte wetenschap. Wetenschappers beseffen vaak onvoldoende de historische beperktheden ervan. Er is slechts een beperkt aantal handschriften over, waarbij ouder niet altijd beter betekent. De datering van handschriften valt vaak niet nauwkeurig te bepalen volgens objectieve maatstaven. Het gezag ervan binnen de oorspronkelijke kerkhistorische of sektarische context al evenmin.

Dat heeft ertoe geleid dat sinds het eind van de 19e eeuw wetenschappers begonnen te werken met een reconstructie van de Bijbeltekst die niet meer volledig overeenkwam met de Bijbel van de kerk. De redenen daarvoor waren divers en niet altijd wetenschappelijk van aard. De nieuwe wetenschappelijke tekst is geen traditie maar een selectie, vooral gebaseerd op twee aantoonbaar oude handschriften. Deze hebben de neiging om trinitarische teksten en passages die de godheid van Christus raken, af te zwakken.

Gelukkig blijft zelfs met de meest kritische blik 95 procent van het Nieuwe Testament hetzelfde. Ook de triniteitsleer en de godheid van Christus zijn afdoende terug te vinden in wat resteert. De meest zichtbare afwijkingen zijn het schrappen van het slot van het Onze Vader, het slot van Markus, en het verhaal van de overspelige vrouw (Joh. 8). Een goed bewaard geheim is dat de voornaamste bron voor de moderne tekst ook vele andere passages weglaat. Gezien de goede staat van het document schijnt dat bewust te zijn gebeurd. Het tweede handschrift voegt zelfs hele boeken toe aan het Nieuwe Testament. Het is onwaarschijnlijk dat deze handschriften ooit grote kerkelijke erkenning hebben genoten.

De Statenbijbel en de King James Version zijn gebaseerd op Griekse teksten zoals die aantoonbaar van de zesde eeuw tot aan de twintigste eeuw algemeen waren. Deze handschriften verschillen slechts minimaal en vinden vaak bevestiging in zeer oude Latijnse en andere vertalingen, alsook soms in oude papyrusfragmenten.

Niet alle tekstkritiek is Schriftkritiek. Bij dat laatste geloven we niet wat de Bijbel zegt. Bij tekstkritiek denken we dat een tekst geen deel was van de oorspronkelijk Bijbel. Tekstkritiek en Schriftkritiek hoeven niet samen te gaan. Soms kun je als taalwetenschapper beter begrijpen wat een auteur bedoelde door de nuances van verschillende handschriften te vergelijken.

Voor hen die in Heilige Schrift en woordelijke inspiratie geloven, kan tekstkritiek in de kerk toch een probleem worden. Immers, als de kerk sinds mensenheugenis teksten als deel van de Heilige Schrift zag en nu schrapt omdat iemand roept dat ze niet oorspronkelijk zijn, dan roept dit vragen op. Hebben onze voorvaderen zich eeuwenlang vergist toen ze meenden de stem van de Geest te herkennen?

Veel theologen zijn niet consequent. Voor boeken als Deuteronomium, Samuel en 2 Korinthe en het Onze Vader worden redactionele toevoegingen of oude liturgische antwoorden achteraf binnen de geloofstraditie toegelaten en als Woord van God aanvaard. Waarom moet dan de liturgische respons in 1 Johannes 5:7, eeuwenlang beschouwd als ingegeven door de Geest, plotseling geschrapt worden op tekstkritische gronden? Dat lijkt me een onjuiste redenering. Zo gaan we ook niet met Samuel of Daniël om. Als wetenschappers het menen te moeten onderscheiden als een fase van de tekst, prima, maar niet op de kansel.

Dat is ook niet praktisch. Om de paar jaar bepaalt een comité in Duitsland of Amerika hoe de Bijbel eruit zou moeten zien. Steeds weer een beetje anders, afhangend van wie in het comité zitten. Het wordt zichbaar in de eindeloze stroom van nieuwe vertalingen die de afgelopen jaren geproduceerd is.

Dat is geen kompas voor de kerk om op te varen. Zolang de kerk van alle eeuwen teksten sinds heugenis aanvaard heeft en wij er samen met deze kerk de stem van de Geest in ons hart in herkennen, moeten we ze vooral in de Bijbel laten staan. Het is Heilige Schrift en drager van Gods Woord, een geestelijk geschenk van onze voorgeslachten.

De auteur is presbyteriaans predikant in Australië en buitengewoon hoogleraar Nieuwe Testament, Grieks en kerkgeschiedenis aan de North-West University in Potchefstroom, Zuid-Afrika.