Stel aanbidding centraal in eredienst

Diederik van Dijk met zijn dochter op Prinsjesdag. beeld RD

„Aanvankelijk is het schrijven een speeltje en vermakelijk; daarna wordt het een maîtresse, vervolgens een meester en dan een tiran. Tijdens de laatste fase, wanneer je juist op het punt staat om je met je slavernij te verzoenen, vermoord je het monster en toon je hem aan het publiek.”

Ruim vijftien jaar geleden las ik deze woorden van de staatsman Churchill en besloot ik die te bewaren voor mijn laatste column in het RD. Bij dezen. Ik had niet gedacht dat dit citaat zolang in mijn digitale archief zou blijven.

Achttien jaar lang heeft het RD mij geduld als stukjesschrijver en nu voelt het schrijven van deze column als een weemoedig stemmend afscheid. En dat niet alleen. Je laatste column moet vanzelfsprekend een klapper zijn. Vanaf het moment dat ik mij dit bedacht, kreeg ik geen letter meer op papier. Zoals je ieder gesprek bij voorbaat smoort met de opmerking dat we nu eens echt een goed gesprek gaan voeren.

Ik werd echter geholpen door een preek van ds. J. G. van Tilburg. De hersteld hervormde predikant stelde de vraag of we aanbidders zijn. Aanbidders van God. We kunnen klagen over het verval van land en samenleving, over secularisatie en noem maar op. Maar zijn wíj́ aanbidders van God? Doen wij waarvoor we geschapen zijn? Namelijk God groot maken en Hem loven. Zeven keer per dag! (Psalm 119:164). Daar draait het om. Al het andere volgt vanzelf. Aanbidding vormt ons daadwerkelijk als christenen.

Dan rijst ook de vraag of onze erediensten hierop zijn ingericht. Staat de aanbidding van God centraal? Stel nu dat we moeten constateren dat dit niet het geval is, heeft de gereformeerde gezindte dan voldoende geloof en vitaliteit om dit te veranderen? Dat is een spannende vraag, maar ook een cruciale. Want als dit niet zo is, voldoet de kerk niet aan haar hoge roeping en heeft zij geen toekomst. Is er niet een jonge generatie die hiernaar hunkert?

Ik denk dat hier een manco ligt in onze kerkdiensten. Rooms-katholieken knielen tenminste nog. Wij beginnen te snel met onze noden, zonden, schuld, ongeloof en behoeften, maar eigenlijk valt alles pas op zijn plaats als we beginnen met het loven van God. Wie dit beoefent, herkent dit.

Deze column is geen pleidooi om onze erediensten op de kop te gooien. Maar zou het bespreekbaar zijn om meer gewicht te geven aan de lof van God in de eredienst? Een soort stappenplan is hierbij niet aan de orde. Het gaat om het visioen dat we voor ogen moeten houden als we nadenken over het vormgeven van de christelijke kerkdienst. Die gedachte staat fraai verwoord in de klassieker ”De kleine prins”. De Franse auteur Antoine de Saint-Exupéry schrijft aanstekelijk: „Als je een schip wilt bouwen, trommel dan geen mensen op om hout te verzamelen, draag hen niet allerlei taken op, maar leer hun te verlangen naar de eindeloze uitgestrektheid van de zee.” Inderdaad, als we onze erediensten bezien vanuit het verlangen om de heilige en genadige God te loven, volgt de juiste inrichting ervan vanzelf.

Misschien hoeft er niet eens veel te veranderen in onze diensten, maar helpt het al als we onze liturgie bewuster beleven. Maar laten we veranderingen niet gemakzuchtig uitsluiten. Met de woorden van de conservatief Roger Scruton: „Dat wat verloren is gegaan, kan ook weer worden heroverd – niet noodzakelijk zoals het eerst was, maar zoals het zal zijn als het weloverwogen wordt teruggewonnen en opnieuw gemodelleerd.”

Ik heb verschillende buitenlandse kerkdiensten bezocht waarbij de opening van de dienst bestond in een oproep tot aanbidding. Dat maakte indruk. Juist als in de oproep wordt beklemtoond dat God de initiatiefnemer is van de ontmoeting met Hem. God is de handelende persoon en wij mogen ons laten meenemen. Daarmee is het hart van het christelijk geloof getekend en dat hoort ook de eredienst te stempelen.

Het is tijd om afscheid te nemen van de lezers. Dank voor alle reacties, positief of kritisch. „Vaart allen wel, houdt altijd de lijst in het oog, en bekommert u niet té zeer om honing.” (Slotzin uit ”Erik of het klein insectenboek” van Godfried Bomans.)

De auteur is directeur van de NPV en senator voor de SGP.