Status maaltijdbezorger vraagt om weging van waarden

Online bezorgdiensten als Deliveroo zijn een schoolvoorbeeld van de zogenaamde platformeconomie. Foto: bezorger van Deliveroo in centrum van Amsterdam. beeld ANP, Sem van der Wal

Zijn maaltijdbezorgers bij Deliveroo zzp’ers of niet? De Amsterdamse rechtbank beantwoordde die vraag verschillend. De tegengestelde uitspraken brengen twee botsende waarden aan het licht.

De rechtbank in Amsterdam oordeelde in de zomer van 2018 dat maaltijdbezorgers bij Deliveroo als zzp’er op opdrachtbasis werkzaam zijn en niet als werknemer in loondienst. Gesteund door de PvdA en vakbond FNV was een van de bezorgers opgekomen tegen zijn huidige werkconstructie bij de maaltijdbezorgdienst, maar deze ving dus bot. Volgens de rechter was van schijnzelfstandigheid namelijk geen sprake en zijn bezorgers daadwerkelijk zzp’ers.

Vorige week deed diezelfde rechtbank opnieuw uitspraak in een zaak tegen Deliveroo. Verrassend genoeg oordeelde de rechtbank in deze nieuwe zaak, op grond van dezelfde feiten, dat bezorgers toch geen zzp’ers zijn. Doorslaggevend volgens de rechter was het bestaan van een gezagsverhouding bij de uitvoering van de arbeid, die onomstotelijk tot de organisatie van Deliveroo behoorde.

Platformeconomie

Beide rechters leggen in hun uitspraak duidelijk de koppeling met de zogenaamde platformeconomie, waar online bezorgdiensten als Deliveroo een schoolvoorbeeld van zijn. In de eerste uitspraak stelde de rechter vast dat het huidige arbeidsrecht niet is ingericht op de (relatief) nieuwe platformeconomie. In de recente uitspraak voegde de rechter, zich bewust van de radicaal andere uitkomst in zijn beoordeling, hieraan toe dat het juist van belang kan zijn dat over deze rechtsvraag verschillend wordt gedacht, gelet op de snelle ontwikkeling die de platformeconomie doormaakt.

De platformeconomie stelt het arbeidsrecht dus voor uitdagingen. De vraag is echter wie met het oog op een mogelijke oplossing aan zet is. De rechtspraak kan er overduidelijk weinig mee en wijst naar de wetgever. Al in de eerste uitspraak benoemde de rechter expliciet dat het aan de politiek is om maatregelen te treffen, wanneer een constructie als Deliveroo onwenselijk zou worden geacht. Binnen de huidige wettelijke kaders loopt het in elk geval spaak.

Botsende waarden

Deze tegengestelde uitspraken, nota bene door dezelfde rechtbank gedaan, leggen vooral twee botsende waarden bloot. Enerzijds hecht de rechtsorde immers aan de bescherming van werknemers en het tegengaan van allerhande schijnconstructies, maar anderzijds bestaat er ook een sterke maatschappelijke behoefte om van een goedkope bezorgservice gebruik te kunnen maken. De kritiek op beide uitspraken weerspiegelt deze tegengestelde waarden.

In de eerste uitspraak werden bezorgers door de rechter gedwongen als ”ondernemer” aangemerkt, met alle lasten en risico’s van dien. Dit zou volgens critici niet de bedoeling kunnen zijn. Anderzijds wijzen commentaren op de tweede uitspraak op het feit dat thuisbezorgdiensten door het verplichte werknemerschap een stuk duurder worden. Omdat deze extra kosten vanzelfsprekend worden doorberekend aan de consument, is het maar de vraag of het thuisbezorgen van maaltijden daarmee nog wel zo populair blijft of, sterker, nog wel een toekomst heeft.

Al met al wordt met de oplossing voor het ene probleem een tweede probleem in de hand gewerkt en vice versa. En een oplossing waarin beide waarden tezamen worden gevat, lijkt onmogelijk. Dit spanningsveld tussen abstracte rechtvaardigheid en concreet eigenbelang komen we op zoveel andere terreinen ook tegen, zoals bij de import van goedkope kleding uit verre landen en de verkoop van vlees tegen dumpprijzen. Een weging van waarden lijkt het devies. Maar de vraag blijft wat we nu werkelijk het belangrijkst vinden.

De auteur is arbeidsrechtadvocaat bij BVD advocaten.