Statenvertaling kan begrijpelijker worden zonder karakterverlies

„Verouderde Bijbelwoorden leiden tot onkunde met betrekking tot Gods Woord.” Foto: kanselbijbel in de Oudshoornse kerk in Alphen aan den Rijn. beeld RD, Henk Visscher

Taalkundige aanpassing van een aantal verouderde woorden, meervoudsvormen en naamvallen leidt al tot een veel leesbaardere Statenvertaling, betoogt dr. Pieter Rouwendal.

Het verzoek van de kerkenraad van de gereformeerde gemeente te ’s-Gravenpolder aan meerdere vergaderingen over aanpassing van oude woorden in de Statenvertaling wil ik graag onderstrepen en van enkele aanvullende argumenten voorzien.

1. Een Bijbelvertaling is een kerkelijke zaak. De Gereformeerde Bijbelstichting (GBS) heeft dit in het verleden zelf aangevoerd als bezwaar tegen de Herziene Statenvertaling (HSV), waarvoor geen kerkelijke opdracht gegeven was. Nu er een verzoek ligt van een kerkelijke vergadering, is het onbegrijpelijk dat de GBS dat negeert. Het is de juiste weg wanneer de kerk haar verantwoordelijkheid terugneemt van een stichting.

2. Verouderde woorden leiden tot onkunde met betrekking tot Gods Woord. Er is alle reden om moeilijke kernbegrippen zoals ”rechtvaardigmaking” en ”goedertierenheid” niet te vervangen. Maar als predikanten, catecheten en anderen hun tijd hard nodig hebben om wezenlijke zaken duidelijk te maken, moeten ze geen tijd hoeven te verspillen aan het uitleggen dat ”wassen” ”groeien” betekent.

Het argument dat die oude woorden te leren zijn, geldt lang niet voor alle mensen. Mensen met een opleiding op lwoo-niveau hebben vaak al moeite om het hedendaagse Nederlands te beheersen. Maar zulke mensen moeten ook hun kinderen onderwijzen in Gods Woord. Hoe kan dat als de enige in hun kerk geaccepteerde Bijbelvertaling vol oude woorden staat die ze niet begrijpen? Wie oude woorden zonder inhoudelijke reden laat staan, verhindert mensen tot kennis der waarheid te komen.

3. De vraag naar herziening is niet gebaseerd op afgenomen kennis. In de negentiende eeuw kwamen er Bijbeluitgaven met aangepaste spelling en taal op de markt. Maar bij het kerkvolk was er weerstand tegen. Niet vanwege kennis van het oude Nederlands maar vaak juist uit onkunde. Zo was er verzet tegen de vervanging van het woord ”poëten” door ”dichters”, omdat de bezwaarden niet beseften dat deze woorden hetzelfde betekenen. Voor de onkundigen was het een principiële kwestie. De ‘poetenbijbel’ was de enige zuivere!

De hedendaagse verminderde weerstand tegen aanpassingen in de Statenvertaling wordt waarschijnlijk veroorzaakt door het hogere opleidingsniveau. Het zijn degenen die weten dat er geen verschil is tussen ”krank” en ”ziek” die zich storen aan het handhaven van het verouderde woord.

Inconsequent

4. De GBS-editie is zelf een inconsequente herziening. De gedachte leeft breed dat de GBS-editie rechtstreeks teruggaat op die van Ravesteijn uit 1657, maar ze gaat terug op een editie uit 1888. Omdat het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG), na de aanpassingen in spelling waartegen weerstand bestond, een terugval in Bijbelverkopen zag, besloot ze een editie te brengen die dicht bij die van 1657 bleef.

Toch bevatte deze zogenaamde ”Jongbloededitie” een aantal inconsequent doorgevoerde wijzigingen. De spelling van de naam Heere werd niet gewijzigd, want daartegen had het kerkvolk bezwaar. Maar de naam Godt werd wel ontdaan van de t. Er was dus geen principieel besluit om de spelling van Gods namen niet te wijzigen. Doorslaggevend was de weerstand of acceptatie van het gewone volk.

Eveneens inconsequent was de omgang met het woord ”wijf”. De Statenvertalers gebruikten ”vrouw” als aanduiding van het geslacht en ”wijf” voor een echtgenote. De Jongbloededitie nam dit onderscheid weg door in beide gevallen ”vrouw” te plaatsen. Inconsequent was dat een tweede vrouw een ”bijwijf” bleef.

Het is deze editie die de basis vormt van de GBS-uitgaven. Voormalig directeur L. M. P. Scholten erkende dat feitelijk toen hij stelde dat in de GBS-editie „het taalkleed van de Statenvertaling zoals dit zich in de negentiende en twintigste eeuw had ontwikkeld, gehandhaafd bleef. Niet verder moderniseren en ook niet terugdraaien” (RD 14-4-2011). Reeds gemaakte aanpassingen, waaronder de inconsequente reeks uit 1888, werden dus in de meeste gevallen aanvaard en niet teruggedraaid.

Het zou consequent zijn als de GBS nu óf ”vrouw” weer verandert in ”wijf” en in de middenkolom aangeeft dat ”wijf” ”vrouw” betekent, óf andere verouderde woorden waarvoor in de middenkolom een equivalent gegeven wordt evengoed een plaats geeft in de tekst zelf. Het is immers niet uit te leggen waarom ze wel de inconsequente aanpassingen van een genootschap in 1888 wil handhaven, maar aanpassingen weigert die anderhalve eeuw later door een synode nodig geacht worden.

Taak voor de kerk

Nu kan men in taal niet altijd consequent zijn. Nog altijd zal de aanpassing van de spelling van Heere op weerstand stuiten, terwijl niemand God nog met dt zal willen schrijven. Maar de gevoeligheid van Gods Naam is toch geen reden om ”bijwijf” niet in ”bijvrouw” te wijzigen.

Het is niet gemakkelijk maar ook niet onmogelijk om de Statenvertaling zo aan te passen dat haar karakter gehandhaafd blijft, terwijl ze toch stukken beter leesbaar wordt. Taalkundige aanpassing van een aantal verouderde woorden, meervoudsvormen en naamvallen leidt al tot een enorm verbeterde leesbaarheid en begrijpelijkheid. Laat de kerk deze taak aanvaarden!

De auteur is theoloog en uitgever.