Residentiepauzedienst (Mirjam Bikker): Vrijgekochte vreemdeling

Residentiepauzediensten
„Hoe snijdt het niet door merg en been, als we de kinderen in de tentenkampen zien, de ontzetting of de totale leegte in de ogen.” beeld ANP, Arie Kievit

In de Waalse kerk in Den Haag wordt iedere derde dinsdag van de maand een residentiepauzedienst gehouden. Een predikant spreekt een meditatie uit, waarna een christelijke politicus een toespraak houdt. Deze week sprak Mirjam Bikker (ChristenUnie).

„En aangezien u Hem die iedereen beoordeelt naar zijn daden, zonder aanzien des persoons, Vader noemt, moet u tijdens uw leven als vreemdeling ook ontzag voor Hem hebben. U weet immers dat u niet met zoiets vergankelijks als zilver of goud bent vrijgekocht uit het zinloze leven dat u van uw voorouders had geërfd, maar met kostbaar bloed, van een lam zonder smet of gebrek, van Christus.” (1 Petrus 1:17-19)

De apostel Petrus spreekt de gelovigen aan als vreemdelingen. In onze tijd hebben we wel een beeld bij vreemdelingen. We denken aan de verschoppelingen, degenen die vluchten vanuit oorlogsgebied. Of we denken aan de discussies over de voorzieningen voor nieuwkomers in Nederland. Velen in ons land zetten zich in om vluchtelingen een goed onthaal te geven.

Er wordt veel gesproken over wat nu wijs is als er een vluchtelingenstroom op gang komt. Welke verantwoordelijkheid heeft ons land dan? Of blijven de rijke landen naar elkaar kijken? Je kunt immers niet alle vluchtelingen zelf opvangen? En we merken dat vreemdelingen heel vaak niet het beste in onze samenleving boven halen. Het besef dat we zelf ook een vreemdeling zijn, klinkt in weinig debatten door. Het is al snel wij versus zij.

De Bijbel is vertrouwd met vreemdelingen. Hoe vaak krijgt het volk Israël niet te horen dat ze zelf eens vreemdelingen waren in het land Egypte. Petrus gaat een stap verder. We zijn in ons hele leven vreemdeling. Niet omdat we gevlucht zijn, maar omdat we geroepen zijn.

Ik moet denken aan Abraham, die huis en haard verliet, omdat hij geroepen was. Voortaan was Abraham een vreemdeling, die leefde vanuit de belofte. Hem was beloofd dat hij het land zou beërven, maar het enige wat hij aan het einde van zijn leven had, was het graf van zijn vrouw Sarah, een klein lapje grond. Hem was beloofd dat zijn nakomelingen talrijk als de sterren zouden zijn, als de zandkorrels op het strand, maar wat heeft hij lang moeten wachten op zijn zoon Izak.

Toch hield Abraham ontzag voor Zijn Heer, Die hem geroepen had. Zoals de Hebreeënbrief (11:8) zegt: „Door zijn geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam op weg naar een plaats die hij in bezit zou krijgen en hij ging op weg zonder te weten waarheen.” En wat verder (11:9 en 10): „Samen met Izak en Jacob, mede-erfgenamen van de belofte, woonde hij daar in tenten, omdat hij uitzag naar een stad met fundamenten, door God zelf ontworpen.”

En nu noemt Petrus ons vreemdelingen. Geroepen mensen, weg van het zinloze bestaan van hun voorouders. Kunnen zulke mensen eigenlijk actief zijn in de politiek? Is juist dat niet het terrein van zinloosheid? Van veel gepraat, van ”much ado about nothing” (veel drukte om niets)? Draait het niet daar vaak om de kenmerken van een zinloos bestaan? Om de goden van deze tijd: aandacht, macht en geld? Horen vreemdelingen daar te komen? Kunnen pelgrims plaats nemen op het pluche?

Het is dominee W. G. Rietkerk geweest die het treffende beeld van de pelgrims op het pluche uiteenzette en overdacht, toen de ChristenUnie voor het eerst in het kabinet kwam. Maar, zei hij erbij, het is meer Bijbels om te spreken van vreemdelingen op het pluche. De vreemdelingschap is een lijn die je de hele Bijbel door vindt. Kun je op het Binnenhof een vreemdeling zijn, iemand met een dubbel paspoort?

In de geschiedenis zijn er veel voorbeelden te noemen van christenen die heel zwart-wit op die vraag reageerden. We kennen de tradities van hen die zich verre hielden van de politiek. Macht corrumpeert, hier beneden is het toch niet. We kunnen ook de voorbeelden noemen van de versmelting van de kerk en de machthebbers. Schamper wordt gesproken over kameleonchristenen: al snel waren ze niet meer van hun omgeving te onderscheiden. Ik geloof niet dat een van beide uitersten ons tot voorbeeld moet strekken.

Het schitterende in de tekst die we met elkaar overdenken, is dat Petrus ons niet alleen vreemdelingen noemt. Maar „vríjgekochte” vreemdelingen. Dat zijn mensen die een andere identiteit hebben gekregen. Een identiteit die niet meer ligt in de successen van deze wereld, in meetbare zaken als geld en carrière. Niet meer gevangen wordt in de eisen of maatstaven voor een leven dat telkens nieuwe hoogtepunten moet kennen, in vrolijke foto’s op social media, in een leven dat ‘geliked’ wil worden.

Maar net zo min ligt de identiteit in het afstand houden van alles wat seculier is, in isolement en opsluiting. Alsof zout alleen zijn kracht bewaart in het zoutpotje zelf. De luiken dicht, laat buiten de storm maar razen, wij warmen ons aan elkaar in de kleine kring van soortgenoten.

Nee! We zijn vreemdelingen, vrijgekocht door Christus. Hij roept ons, Hij voldoet de schuld en plaatst ons in Zijn vrijheid. Een vrijheid die ons niet op onszelf richt, op geld en goed, maar op de ander. De wees en de weduwe, de arme en de verdrukte, de zieke en de hongerige, naar hen keek Christus om. Een vrijheid die ons ook in een nieuwe ruimte zet in de omgang met het alledaagse. Want het is deze schepping, het is dit aardse bestaan dat God ons geeft.

Of zoals de theoloog prof. A. A. van Ruler eens schreef: „De Bijbel leert ons: we zijn er, maar we zijn er niet omdat dat noodzakelijk was, maar omdat het de Schepper behaagde, ons in het aanzijn te roepen. Het is Zijn goedheid: Hij gunde ons ook het plezier van er te zijn. God had er zin in.” Juist daarom mogen wij zin hebben in het hele leven. We worden door Christus in de wereld gezonden. Of die wereld daar nu wel of niet op zit te wachten.

Binnenkort zijn er gemeenteraadsverkiezingen. Ik krijg wel eens de vraag wat de gemeenteraad nou met christelijke politiek te maken heeft. Gaat het merendeel van de vergaderingen niet over bestemmingsplannen, parkeren, fietspaden en bouwvergunningen? In de gemeente spelen toch geen ethische kwesties?

Zo’n vraag gaat eraan voorbij dat alles, ja echt alles, ons in bruikleen is gegeven. We mogen ons zeer inzetten voor het alledaagse dat God geeft. Er goed voor zorgen en er vreugde in vinden. Dan doen ook goede straatverlichting en een stoep waar een rollator overheen kan ertoe.

De prioriteiten verschillen per plaats. Hier moet de veiligheid beter en daar is er te weinig woonruimte voor senioren. Maar, om nog eens met Van Ruler te spreken, niets is zo gering, betrekkelijk of onbelangrijk dat we er niet aandachtig en eerbiedig mee bezig kunnen zijn.

Of zoals Micha 6:8 zegt: „Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de Heer van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.”

Deze tekst uit Micha geeft ons allemaal een opdracht, waar we ook gesteld zijn. Los van de maatstaven van hedendaags succes. Wie zijn identiteit in Christus vindt, komt in een nieuwe vrijheid. De geschiedenis geeft ons voorbeelden van mannen en vrouwen die juist zo de moed en kracht vonden om een nieuw licht in de duisternis te kunnen laten schijnen. Sprekende voorbeelden die mij aanmoedigen om ook in het politieke leven telkens opnieuw te weten dat wij van onze Here afhankelijk zijn.

Alleen zo vond William Wilberforce de kracht om te blijven strijden voor de afschaffing van de slavernij. Alleen zo kon aartsbisschop Tutu in Zuid-Afrika de weg naar waarheid en verzoening wijzen. Alleen zo werd Groen van Prinsterer een van de belangrijke grondleggers van de christelijke politiek, op een manier die tot vandaag toe doorwerkt. En juist Groen heeft ons erbij bepaald dat het dan niet alleen om de grote bewegingen en idealen gaat. Of zoals hij schrijft: „Laat ons getrouw zijn, een iegelijk op zijn post: laat ons bedenken dat, zoo het ons niet gegeven wordt groote dingen te verrichten, de ergste ontrouw in de kleinste zaken wordt gepleegd.”

Petrus herinnert ons eraan dat we vreemdelingen zijn. We mogen soms de tekenen van het Koninkrijk dat is en dat komt al zien. We mogen elkaar er verheugd op wijzen. Dat neemt niet weg dat er nog veel plaatsen zijn die in de verste verte niet op het Koninkrijk lijken.

Ik begon mijn bijdrage met de vluchtelingen die in het hedendaagse spraakgebruik zo vaak geduid worden als vreemdelingen. Hoe snijdt het niet door merg en been, als we de kinderen in de tentenkampen zien, de ontzetting of de totale leegte in de ogen. Wat doet het een pijn dat oorlogen maar blijven duren en gewone burgers nergens een veilig thuis meer vinden, waar ze zich beschermd weten tegen de kwade machten. Wat zijn vrede en recht dan ver te zoeken en hoe ingewikkeld is het om daar toch een kleine bijdrage aan te leveren.

De tekst uit 1 Petrus spoort ons aan om niet ontmoedigd te raken. We leven ondanks alles in de verwachting van het Koninkrijk. We zijn midden in de wereld door God geroepen en worden zo niet moe het goede te doen en te zoeken. Omdat we vrijgekocht op doorreis zijn. Net als Abraham verwachten we een andere stad. En we mogen om ons heen kijken en de kleine sporen van het Koninkrijk al zien. Om de belofte van het Rijk dat komt niet te vergeten. Een kerklied zegt het treffend:

De kalme gang, de kleine taak,

Zijn ruim genoeg voor Godes zaak.

Onszelf verliezen in ’t gebod,

brengt daag’lijks nader ons tot God.

Maak in uw liefde ons Heer bereid

Voor licht en vreed’ in eeuwigheid!

En dat ons leven ied’re dag

als ons gebed U loven mag.

(Gez. 277:4 en 5)

De auteur is Eerste Kamerlid voor de ChristenUnie.