Pas op met vooroordelen rond suïcide

Nabestaanden van iemand die zijn leven heeft beëindigd, blijven vaak achter met veel vragen. Door het onderscheid tussen zelfmoord of zelfdoding blijven zij mogelijk met een extra (onbeantwoordbare) vraag achter. Foto Sjaak Verboom Sjaak Verboom

Onderzoek naar de mate waarin suïcide voorkomt onder bevindelijk gereformeerden, is nodig, schrijft Arie Jan de Lely. Als het suïcidecijfer hoog is onder hen, kan men daar in de psychiatrische praktijk extra alert op zijn. Als het suïcidecijfer onder hen echter laag is, kan een gebrekkig gefundeerd vooroordeel weggenomen worden.

Met waardering heb ik de serie artikelen over suïcide in deze krant gelezen. Hopelijk leidt de aandacht voor dit onderwerp ertoe dat mensen die met suïcidale gedachten worstelen of die een suïcide van nabij hebben meegemaakt, dit gemakkelijker met iemand zullen durven delen. Delen kan leed immers draaglijker maken.

Op twee dingen wil ik reageren: het onderscheid dat de heer Ad Hoogendoorn maakt tussen zelfmoord en zelfdoding, en het vermoeden van suïcide-expert prof. dr. Ad Kerkhof dat suïcide relatief vaak voorkomt onder bevindelijk gereformeerden.

Hoogendoorn spreekt over zelfmoord als de daad „willens en wetens, met voorbedachten rade” wordt uitgevoerd, en over zelfdoding als het „in een vlaag van verstandsverbijstering” gebeurt. Mijns inziens kleven er meerdere bezwaren aan het maken van dit onderscheid.

We weten vrijwel nooit precies wat er door iemand is heengegaan voorafgaande aan de suïcide. Daarom zou ik terughoudend willen zijn met het doen van een uitspraak over de mate van weloverwogenheid van de daad. Suïcide is vrijwel nooit het resultaat van een in alle rust genomen besluit, maar anderzijds komt het ook zelden voor dat voorafgaand aan suïcide geheel niet is nagedacht. Met andere woorden: zelfmoord en zelfdoding komen vrijwel niet voor in hun zuivere vorm. Het is een spectrum waarbij de uitersten zeldzaam zijn.

Een onderliggende gedachte bij het gemaakte onderscheid lijkt te zijn dat zelfmoord een grotere zonde is dan zelfdoding. Deze gedachte wil ik niet bestrijden, als men hier maar niet de consequentie uit trekt dat zelfmoord niet en zelfdoding wel vergeven kan worden. Wat de mogelijkheid van vergeving betreft, is er volgens Gods Woord immers geen onderscheid tussen grotere en minder grote zonden.

Nabestaanden van iemand die zijn leven heeft beëindigd blijven vaak achter met veel vragen. Door genoemd onderscheid blijven zij mogelijk met een extra (onbeantwoordbare) vraag achter: was het zelfmoord of zelfdoding?

Liever zou ik de overeenkomst benadrukken tussen alle mensen die suïcide plegen: allen zien zij geen andere begaanbare (uit)weg meer op dat moment.

Karikaturaal
Prof. Kerkhof baseert zijn vermoeden op een „waarneming” van C. S. Kruijt in zijn studie naar suïcide in de eerste helft van de vorige eeuw in Nederland en daarnaast op theoretische gronden. Ik deel zijn vermoeden niet.

Kruijt schrijft in zijn proefschrift ”Zelfmoord” (1960) nogal karikaturaal over de zogenaamde „hyperorthodoxe gereformeerden.” Hij legt een direct verband tussen het geloof van deze groep en een hoger suïciderisico, zonder dit met cijfers te staven. Alleen ten aanzien van gereformeerden in Zeeland heeft hij cijfers. Hij schrijft: „De invloed van dit verwrongen ’bevindelijk’ christendom komt het sterkst tot uiting in de hoge zelfmoordcijfers van de Zeeuwse gereformeerden (148 tegen 59 in het gehele land).”

Onder Zeeuwse gereformeerden was het suïciderisico dus aanzienlijk groter dan gemiddeld bij alle gereformeerden in Nederland. Kruijt noemt daarbij echter niet dat Zeeland als provincie een hoog suïcidecijfer kende. Het gemiddelde suïcidecijfer in Zeeland was zelfs hoger dan onder gereformeerde Zeeuwen. Het hoge suïciderisico is dus niet typerend voor de Zeeuwse gereformeerde, maar voor elke Zeeuw. Mogelijk hangt dit samen met het feit dat suïcide relatief veel in agrarische gemeenschappen voorkomt.

Voorts schaart Kruijt onder ”gereformeerden” alle kerken waarin de naam ”gereformeerd” voorkomt. Het is maar de vraag bij welke van al deze ”gereformeerden” het suïciderisico relatief hoog was in Zeeland. Dat wordt nergens duidelijk in zijn proefschrift, en dus is het wat snel om dit op het conto van de ”hyperorthodoxie” te schuiven.

Verder bewijst een achteraf gevonden getalsmatig verband geen direct oorzakelijk verband. Kruijt gaat daaraan voorbij. Ten slotte betreft het metingen van ruim een halve eeuw geleden, een periode waarin er aanzienlijke veranderingen zijn opgetreden onder de bevindelijk gereformeerden.

Beschermende factoren
Kerkhof noemt verder een aantal theoretische overwegingen waardoor suïcide relatief veel zou kunnen voorkomen onder bevindelijk gereformeerden: mogelijk zijn ze meer onderhevig aan uitsluiting en afwijzing en hebben ze het zwaar omdat ze op bepaalde punten anders denken dan de meerderheid.

Op zich wil ik dit niet bestrijden, maar daartegenover zijn er ook juist beschermende factoren te noemen: de gehoorzaamheid aan het zesde gebod, de angst voor het hiernamaals, het ondervinden van steun uit het geloof en vanuit de hechte geloofsgemeenschap en het ervaren van lijden als betekenisvol in plaats van zinloos. Ook de verantwoordelijkheid die men voelt voor het gezin kan sterk remmend zijn ten aanzien van suïcide.

Verder komt uit recent (door mij verricht) onderzoek naar voren dat bevindelijk gereformeerde depressieve patiënten minder suïcidaal zijn dan niet-kerkelijke depressieve patiënten.

Graag zou ik met prof. Kerkhof mee willen denken over onderzoek naar het vóórkomen van suïcide onder bevindelijk gereformeerden. Als het suïcidecijfer hoog is onder hen, kan men in de psychiatrische praktijk daar extra alert op zijn. Als het suïcidecijfer onder hen daarentegen laag is, kan dit een gebrekkig gefundeerd vooroordeel wegnemen.

De auteur is als psychiater werkzaam bij Eleos. Hij schreef deze bijdrage op persoonlijke titel.