Nog niet klaar voor harde confrontatie met medicijnfabrikanten

beeld Fotolia

Er bestaat nog geen begin van een rechtvaardiging voor de exorbitante prijzen van geneesmiddelen, betoogt Hans van der Linde.

De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) bracht onlangs advies uit aan de regering over hoe het probleem van dure geneesmiddelen aan te pakken. De voorzitter van de adviescommissie zei daarover in NRC Handelsblad (9-11): „Het is tijd voor een keiharde confrontatie met fabrikanten over hun dure geneesmiddelen. Om de prijs omlaag te krijgen, moet de Nederlandse overheid tot de tanden bewapend de onderhandelingen over de vergoeding van een nieuw geneesmiddel ingaan. Wie vrede wil, bereide zich voor op de oorlog.” Opmerkelijke taal voor de voorzitter van een adviescommissie van de overheid.

Wat opvalt in publicaties over nieuwe geneesmiddelen is dat zelfs de meest kritische beschouwingen uitgaan van aannames die jarenlang zijn gecommuniceerd door geneesmiddelenproducenten. Bijvoorbeeld: „Nieuwe medicijnen danken we aan de farmaceutische industrie.” Of: „De ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel kost ten minste 1 miljard dollar.”

Innovaties

Deze beweringen zijn helaas ook uitgangspunt geworden van het RVS-advies. Dat stelt dat de ontwikkelingskosten, die verantwoordelijk zijn voor de hoge prijzen, lager kunnen en dat we nieuwe medicijnen danken aan de farmaceutische industrie. Maar zijn die aannames juist?

De kern van echte innovaties is in de regel te danken aan universitaire of andere onderzoekers die basaal onderzoek verrichten. Zoals de hoofdredacteur van de New England Journal of Medicine, Marcia Angell, eens schreef: „De kern van medische innovatie komt overwegend uit het vrije onderzoek dat met publieke gelden wordt betaald en daarna wordt afgeroomd door de farmaceutische giganten.”

Winst

Geneesmiddelenproducenten hebben een goede neus voor winstgevende innovaties, kopen die op, ontwikkelen ze verder en brengen ze op de markt. Zelf doen ze geen basaal onderzoek. Hoeveel geven zij uit aan innovatie? Voor de beantwoording van die vraag moeten we de oncontroleerbare verhalen over miljarden kostende innovaties even terzijde schuiven. Op internet staat het antwoord op die vraag namelijk gewoon te lezen in de financiële jaarverslagen. Aan onderzoek en ontwikkeling werd de laatste tien jaar gemiddeld 13 procent van de omzet besteed. De vraag is dan alleen nog welk deel daarvan wordt gebruikt voor innovatie en welk deel voor zaken die daar niets mee te maken hebben.

Hoeveel van die 13 procent gaat naar zinloze onderzoeken die louter en alleen worden opgezet om de verkoop te bevorderen? Met deze zogenaamde zaaionderzoeken (seeding trials) zijn megabedragen gemoeid. Wereldwijd worden universiteiten en instituties gevraagd om het product van de fabrikant aan nutteloos onderzoek te onderwerpen. Dat heeft niets van doen met innovatie en alles met marketing. Mooi meegenomen is dan dat wetenschappers als vertaalslag voor de financiering van hun onderzoek een rol gaan spelen bij de promotie van nieuwe geneesmiddelen.

De seeding trials worden in de financiële jaarverslagen niet geboekt als marketing, maar als onderzoek en ontwikkeling. Veel geld wordt er gestoken in onderzoeken die nieuwe geneesmiddelen gunstig moeten positioneren. Wetenschappelijk onderzoek is een geducht marketinginstrument. Dat deze onderzoeken worden gemanipuleerd en dat verdraaide uitkomsten worden gebruikt voor promotiedoeleinden, is inmiddels in talrijke studies aangetoond.

Varianten

Verreweg het grootste deel van de genoemde 13 procent van de omzet gaat echter naar de ontwikkeling van varianten van bestaande succesmiddelen. Het gros van die varianten is niet bewezen veilig en niet bewezen effectief. Jarenlange lobby heeft bewerkstelligd dat ze onvoldoende getest op de markt gebracht mogen worden, zodat de patentduur ten volle benut kan worden. Keer op keer blijkt later –nadat er miljarden aan is verdiend– dat ze niet beter zijn dan de bestaande middelen. Dat geldt bijvoorbeeld voor nieuwe kankergeneesmiddelen, alle nieuwe insulines, het nutteloze assortiment aan inhalatoren en de peperdure nieuwe cholesterolverlagers.

Bij gebrek aan voldoende gegevens blijft het bij schattingen hoeveel van die 13 procent naar innovatief onderzoek gaat. Vaak wordt er een percentage genoemd van tussen de 3 en de 5. Op een wereldomzet van tussen de 1200 en de 1400 miljard dollar zou dat een bedrag zijn van tussen de 36 en de 70 miljard dollar. Het is zeer de vraag of dat immense bedrag besteed wordt en kan worden aan innovatie.

Uit deze cijfers blijkt wel dat er voor innovatie geen hoge geneesmiddelenprijzen nodig zijn. Aan marketing wordt tussen de 20 en de 30 procent van de omzet uitgegeven en de ongekend hoge winsten belopen 15 tot 20 procent van de omzet. Het feit dat een veelvoud van het innovatiebedrag wordt uitgegeven aan marketing bewijst temeer dat er geen begin van een rechtvaardiging bestaat voor de exorbitante prijzen van geneesmiddelen.

Loos dreigement

Het dreigement ”Zonder hoge prijzen geen nieuwe medicijnen” is dan ook loos, maar het sorteert wel degelijk effect. Praat met een willekeurig iemand over dure medicijnen en u zult te horen krijgen dat het ontwikkelen van nieuwe medicijnen toch ook bekostigd moet worden. Die boodschap vormt het fundament van de megawinsten. De bereidheid van de gemeenschap om veel voor medicijnen te betalen staat of valt ermee.

Het RVS-advies wijst wegen waarlangs hoge geneesmiddelenprijzen aangepakt kunnen worden. Voor eensgezinde actie moeten we ons echter eerst bevrijden van de gedachte dat we voor nieuwe geneesmiddelen afhankelijk zijn van de farmaceutische industrie en dat hoge medicijnprijzen nodig zijn om nieuwe middelen te ontwikkelen. Pas dan zijn we klaar voor een „keiharde confrontatie met fabrikanten.”

De auteur is huisarts te Capelle aan den IJssel.