Niet aarzelen over hulpverlening aan vervolgde christenen

Wie is een christen? De Heidelbergse Catechismus geeft een loepzuivere afbakening. “Waarom wordt gij een christen genaamd? Omdat ik door het geloof een lidmaat van Jezus Christus en alzo Zijner zalving deelachtig ben…”

Volgens het Amerikaanse onderzoeksbureau Pew Research Center is het christendom de grootste religie ter wereld, met zo’n 2,2 miljard aanhangers. Maar, stelde Pew, er zijn wel grote verschillen: christenen in het zuidelijk deel van Afrika zijn trouw in de kerkgang en het overgrote deel van hen bidt dagelijks. Dat staat in schril contrast met christenen in West-Europa, waarvan maar één op de tien dagelijks bidt en wekelijks naar de kerk gaat.

Christen-zijn is kennelijk een rekbaar begrip. Pew bevraagt mensen die zichzelf christen noemen. Maar in Zijn Bergrede geeft de Heere Jezus een andere omschrijving. Niet zij die “Heere, Heere!” zeggen, zullen binnengaan in Gods koninkrijk, „maar die daar doet de wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is”. Het komt dus niet aan op wat iemand van zichzelf zegt of wat een ander over hem zegt, maar op het doen van de wil van God.

Zo’n omschrijving verklaart waarom Jezus spreekt over een kleine kudde – ook al groeit die uiteindelijk uit tot een schare die niemand tellen kan. Dit mag mensen wel voorzichtig maken in het trekken van scherpe lijnen om te bepalen wie wel of niet een christen is. Als Paulus aan de inwoners van Korinthe schrijft, spreekt hij over degenen „die van Christus zijn” (1 Kor. 15:23). De kanttekenaar legt dit uit in de lijn van de Heidelbergse Catechismus: ”die Hem toebehoren, die Zijn lidmaten zijn, Hem door een waar geloof ingelijfd”.

Dat is van een heel andere orde dan wat de meeste mensen bedoelen als ze het over christenen hebben. Maar ook dan kunnen ze verschillende groepen op het oog hebben. Dat blijkt al uit de reeks aan sociologische onderscheidingen om groepen aan te duiden die zich met het christelijk gedachtegoed verwant voelen. Denk aan termen als: de gereformeerde of reformatorische gezindte, de bevindelijk gereformeerden, bijbelgetrouwen, calvinisten, protestanten en orthodox-gereformeerden.

Bij de redactie van het Reformatorisch Dagblad circuleert vanouds de omschrijving dat een christen iemand is die ”zich al of niet terecht beroept op de leer van Christus”. Die afbakening biedt veel ruimte, want daarmee vallen rooms-katholieken, baptisten, mormonen, methodisten, pinksterchristenen, zevendedagsadventisten of Jehovah’s Getuigen ook onder het christendom.

Moeder Teresa

Nu er kennelijk zoveel verschillende onderscheidingen mogelijk zijn, is het goed te begrijpen dat de doorsnee Nederlander door de bomen het bos niet ziet. Het kan ook de vraag oproepen waarom dat nodig zou zijn. Wat maakt het uit? Ze geloven toch in één God? Waarom moet je dan onderscheid maken tussen ds. Mallan en moeder Teresa? Tussen de paus en John Piper?

De hoofdredactie kreeg diverse reacties in deze trant, na een commentaar over Asia Bibi, twee weken geleden. De hoofdboodschap daarvan was dat deze Pakistaanse christin de hartelijke steun, het meeleven en de voorbede van christenen in het Westen verdient. Desondanks stoorden lezers zich aan de opmerking dat zij rooms-katholiek is en „op cruciale punten van de christelijke leer andere opvattingen heeft dan orthodoxe protestanten”.

Lezers riepen de hoofdredactie op zijn best te doen „om christenen te leren elkaar te accepteren in plaats van zo ‘rechtzinnig’ en zonder inhoud te zijn” en „om met elkaar de vreugde te delen over hun christelijk geloof”. „Denkt u dat de Heere God zo naar ons kijkt: die hoort in dit hokje en die in dat?” Ook andere media deden een duit in het zakje, door te suggereren dat het commentaar de RD-lezers opriep om te bidden: “Heer, red haar, maar zorg wel dat ze de paapse mis afzweert.” Het Twitter-tumult leent zich er niet voor om het hier te citeren.

De reacties laten zien hoe snel een misverstand kan ontstaan. Uiteraard was het niet de bedoeling om Asia Bibi een soort tweederangs christen te noemen of een etiket op te plakken vanuit het riante Nederland waar een christen geen strobreed in de weg wordt gelegd. Integendeel. Zowel in de acties als in de commentaren van het RD over christenvervolging is steevast een brede definitie van christenen gehanteerd. En specifiek rond Asia Bibi is veel positieve aandacht geschonken aan haar advocaat die als moslim voor westerse christenen een toonbeeld van zelfverloochening is.

Dat betekent natuurlijk niet dat het onderscheid tussen die verschillende soorten christenen er niet toe doet en dat het niet uitmaakt hoe zij zich tot elkaar verhouden. Juist in een tijd waarin –vooral bij een jonge generatie– het kerkelijk besef taant, is het nuttig om die onderlinge afstanden te kennen. De naam van een groep, kerk of denominatie is daarbij lang niet altijd doorslaggevend.

Mars voor het Leven

Van meer belang zijn wel de vorm van samenwerking en de reden voor onderling contact of herkenning. Wie zijn eigen identiteit wil bewaren, zal een kleine cirkel hanteren en zich afzijdig houden van anderen. Wie daarentegen gemeenschap zoekt, samenwerking beoogt, Gods Woord wil verspreiden of hulp verlenen, hanteert ruimere kaders. Dan maakt het uit of je een beroep uitbrengt op een predikant, een school zoekt voor de kinderen, een coalitie wil vormen in de gemeenteraad of samen met andere christenen wil meelopen in de Mars voor het Leven. Het ligt ook voor de hand dat de kaders voor zulke samenwerkingen anders zijn in de Alblasserwaard dan in Saoedi-Arabië.

Een model dat hierbij als hulpmiddel kan dienen, is dat van de concentrische cirkels in de studie van dr. C. S. L. Janse, “De refozuil onder vuur”. Het dichtst bij de persoonlijke geloofsovertuiging staat de cirkel van kerk, catechese en jeugdwerk. Daaromheen is een cirkel van diaconaat, onderwijs, zorg en ouderenvoorzieningen. De ring daaromheen omvat de sectoren media, politiek, vrijetijdsbesteding en internationale hulpverlening. Janse gebruikt het model als verklaring voor verzuilingsprocessen maar het leent zich ook voor het afbakenen van sociale relaties zoals huwelijk, vriendschap of werknemerschap.

Secularisatie

Op vergelijkbare wijze kun je samenwerking met of steun aan christenen in kaart brengen. Dan is een reformatorische christen oprecht blij dat de Evangelische Omroep, de paus, de ChristenUnie of Family7 belangrijke christelijke waarden in de samenleving proberen te bevorderen en weerstand bieden tegen de secularisatie.

Dat betekent niet dat je die kritiekloos omarmt. Want als het de kern van de cirkels raakt, de persoonlijke geloofsovertuiging, dan moet de band veel strakker getrokken worden. Dan gaat het om de vraag: herken ik deze christen in de zin van zondag 12 van de Heidelbergse Catechismus? Is het iemand met wie ik samen het levenspad wil reizen tot en met de oordeelsdag? Dan luistert het plotseling nauw. Niet vanwege de naam van een kerkelijke denominatie, maar vanwege de vraag of ik door het geloof een lidmaat van Christus ben. Een geloof dat de dood zet op alle goede werken, eigengerechtigheid en gevoelens, afziet van alles buiten het bloed van Christus, met een kinderlijk vertrouwen Hem aankleeft, waardoor ik tegen de zonde en de duivel strijd en hiernamaals in eeuwigheid met Hem over alle schepselen regeer.

Zo’n onderscheid tussen christenen is wel degelijk dienstig. Het bewaart voor gemillimeter in eigen kring door mensen die niet eens nadenken over de verschillen bij vakantiekerken of een roomse vervolgde christin. En het voorkomt elke aarzeling bij de vraag of je wel hulp moet verlenen aan of bidden voor vervolgde christenen die goed en bloed opofferen voor hun geloof.